Finegold | Morris Maurice

  • Voornamen

    Morris Maurice

  • Leeftijd

    20

  • Geboortedatum

    14-02-1924

  • Datum overlijden

    13-10-1944

  • Servicenummer

    14513808

  • Rang

    Private

  • Regiment

    Royal Warwickshire Regiment, 2nd Bn.

  • Grafnummer

    IV. B. 14.

Morris Finegold
Morris Finegold
Graf Morris Maurice Finegold
Graf Morris Maurice Finegold

Auteur Lesley Edwards Finegold


Biografie

Morris ofwel de Jiddische versie Moishe (uitgesproken als Moysha) zoals hij door zijn familie werd genoemd, werd geboren op Valentijnsdag, 14 februari 1924. Zoals gebruikelijk was in die tijd, werd hij thuis geboren, op 30 Hare Street, Bethnal Green in het East End van Londen.

Morris was een van de 11 kinderen. Hij was de 7e zoon en 8e kind van Soloman en Fanny Finegold. Zijn ouders kregen na hem nog twee jongens en een meisje, Pearl, dat in 1927 werd geboren, maar helaas in oktober 1931 aan roodvonk overleed, toen zij pas 4 jaar oud was. In die tijd kwam de ziekte tragisch genoeg veel voor en trof vooral kinderen tussen 2 en 8 jaar oud. Het moet voor de 7-jarige Morris moeilijk geweest zijn om dit trieste verlies te begrijpen.

Zijn ouders waren Russische emigranten die de Russische pogroms in het begin van de 20e eeuw ontvluchtten en zich in East End van Londen vestigden. Zij kwamen uit Zinkor, dat in die tijd deel uitmaakte van het Russische Rijk, maar tegenwoordig in Oekraïne ligt. De volkstelling van 1897 vermeldt Zinkor als een belangrijk Joods centrum met 3.719 Joden, wat ongeveer 53% van de bevolking van de stad was.

Volgens geruchten in de familie ontmoetten zijn ouders elkaar op de boot naar Engeland. Zij vestigden zich in de Joodse wijk East London en trouwden op 1 april 1906 in de East London Synagogue in de wijk Mile End in East End van Londen. Soloman was 25 jaar oud en zijn vrouw Fanny Weiner was 21 jaar. Hij was kleermakersknecht en zij was kleermaker. Ten tijde van hun huwelijk woonden zij beiden op 13 Corbett’s Court in Spitalfields, een Joodse wijk in Oost-Londen. Het was een smalle straat met kleine huizen. Daarna verhuisden zij naar 3 Davis Avenue, Hunt Street, Mile End in East London, voordat zij in 1911 verhuisden naar een 2-kamer appartement in Hare Street (later Cheshire Street genoemd).

In 1918, toen hij ongeveer 37 jaar oud was, nam zijn vader dienst bij de Royal Fusiliers om in de Eerste Wereldoorlog te vechten. Hij werd naar Alexandrië gezonden en uiteindelijk in 1919 gedemobiliseerd. Uit zijn legergegevens blijkt dat hij een zeer kleine man was met een lengte van 1.60 meter en een gewicht van 121 pond. Zijn zonen torende allen boven hem uit. Hij werd echter beschreven als medisch A1 met een goede lichamelijke ontwikkeling. Zijn vrouw moest 6 kinderen alleen opvoeden, terwijl hij in actieve dienst was.

Morris’ vader was kleermakersknecht van beroep. Hij strijkte dameskleding voor kleermakers met behulp van zeer grote zware strijkijzers die voortdurend op een heet fornuis moesten worden verwarmd. Het handvat had de vorm van de nek van een gans en daarom werden deze strijkijzers een “Tailor’s Goose” (gans van de kleermaker) genoemd.

Uit de volkstelling van 1921 blijkt dat Soloman toen geen werk had, dus het leven moet hard geweest zijn, want zij hadden 6 kinderen in de leeftijd van 13 tot 5 jaar en woonden in de 2 kamers in Hare Street die boven een groentewinkel waren.

De volkstelling was bedoeld om te laten zien wie er op de avond van de 19e juni op een bepaald adres woonde. Merkwaardig is dat, hoewel Soloman en Fanny op het volkstellingsformulier staan, slechts 2 kinderen worden vermeld als wonende bij hen die nacht. Dit waren de oudste jongen Barnett van bijna 14 jaar en het enige meisje, Millie van 7 jaar. Waar sliepen de andere 4 kinderen ’s nachts? De groentewinkel was eigendom van een mevrouw Rachel Rosen die 1 kind had van 21 jaar, dus mogelijk brachten sommige kinderen de nachten beneden door? Dit is echter louter speculatie. Toen Morris in 1924 werd geboren, moet het er overvol zijn geweest.

In de huwelijksakte van zijn ouders staat dat de vader van zijn moeder Morris Weiner was. Hij was schoenmaker. Hij moet kort voor Morris’ geboorte in 1924 zijn overleden en de baby Morris zou zijn vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde. In het Joodse geloof wordt een baby niet naar een levende persoon vernoemd.

Er werd gezegd dat hij een rustige jongen was met de donkere krullende zwarte lokken en donkerbruine ogen van zijn vader en de meeste van zijn broers. Hij had een bijzondere band met zijn broer Hymie (Hyman), die in leeftijd het dichtst bij hem stond en slechts 2 jaar ouder was, en de lievelingsbroer van Mannie, het allerjongste kind, dat later in 1931 werd geboren.

Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog in 1939 woonde het gezin nog steeds in dezelfde 2 kamers in Cheshire Street. De twee oudste jongens waren getrouwd en verhuisd en de twee jongste, Sidney en Mannie waren geëvacueerd uit Londen om op het platteland te gaan wonen, ver weg van Londen en de onvermijdelijke bombardementen. In het UK Register van 1939 woonden slechts 4 kinderen en Morris nog thuis. Sidney van 10 jaar haatte het om weg te zijn en verhuisde snel terug naar huis, maar Mannie van 8 jaar ging bij een ouder echtpaar wonen dat geen kinderen kon krijgen en hem behandelde als hun zoon. Hij vond het zo fijn om bij hen te wonen dat hij bleef tot het einde van de oorlog, 6 jaar later, en het kostte veel moeite om hem over te halen om terug naar huis te verhuizen.

Bij het uitbreken van de oorlog had Soloman werk, net als de volwassen kinderen die nog thuis woonden, dus het leven moet financieel veel gemakkelijker zijn geweest. Dit kan de reden zijn geweest voor de verhuizing in 1943 naar Stepney, naar een huis op de hoek van Ensign Street en The Highway. Het adres was 11 The Highway en was wellicht ruimer, hoewel het nog steeds de alomtegenwoordige East End-voorziening van een buitentoilet had.

Vanaf 11 The Highway meldden twee van de broers zich aan bij het Royal East Kent Regiment (de Buffs) en werden al snel naar het Midden-Oosten gestuurd om te vechten. Morris volgde hun voorbeeld, toen hij in 1943 werd opgeroepen. In die tijd bestond het gevaar dat er een tekort aan steenkool zou ontstaan omdat mijnwerkers werden opgeroepen om in het buitenland te vechten. Steenkool was essentieel voor de oorlogsproductie. Dit leidde ertoe dat Ernest Bevin, die toen minister van Arbeid was, zich realiseerde dat sommige dienstplichtige jonge mannen in de mijnen tewerkgesteld konden worden in plaats van aan het front te dienen. Deze rekruten stonden bekend als Bevin Boys. Morris had de kans om een van deze jongens te worden, maar zijn moeder vreesde dat het werk te gevaarlijk was, dus net als zijn vader en broers voor hem nam hij dienst bij het leger en het 2e Bataljon van het Royal Warwickshire Regiment als soldaat Morris Finegold dienstnummer 14513808.

De enige foto van hem die bewaard is gebleven toont hem trots gekleed in zijn nieuwe legeruniform. Hij ziet er erg jong uit en heeft een nogal licht postuur. De manchetten van zijn uniform zijn omhoog gevouwen wat de suggestie wekt dat hij misschien klein van gestalte is. De familiegelijkenis is zeer sterk en in het bijzonder met zijn broer Mannie en Stephen, Mannie’s zoon.

De foto werd gegeven aan Betty, zijn toekomstige schoonzuster die met zijn broer Hymie trouwde. Na hun dood kwam de foto in een fotoalbum dat door hun dochter Denise werd geërfd. En daar bleef de foto tientallen jaren onontdekt tot de trieste dood van Hymie’s broer Sidney in maart 2022 familieleden ertoe aanzette op zoek te gaan naar oude foto’s om mee te nemen naar zijn begrafenis. Deze enige overgebleven foto van Morris werd gevonden in een lang vergeten album met familiefoto’s.

Kort nadat deze foto genomen was, werd Morris naar het buitenland gezonden om deel te nemen aan de West Europa Campagne waar hij op 13 oktober 1944 op tragische wijze dodelijk gewond raakte in de slag om Overloon in Nederland. Hij was slechts 20 jaar oud.

Het wanhopig trieste nieuws werd doorgegeven aan zijn familie die alle vreselijke formaliteiten en rouw moest doorstaan. Successie werd verleend op 13 december 1944 met de droevige zin “Gestorven in oorlogsdienst”. Hij liet een vermogen na van 310 pond, wat vandaag overeenkomt met ongeveer 11.020 pond of 13.250 euro, een niet onaanzienlijk bedrag voor een jongeman van 20 jaar. Maar meer dan dat liet hij een rouwende familie na die hem altijd is bijgebleven. Zijn jongste broer, nu 90 jaar oud, is de enige overlevende broer en heeft tot op de dag van vandaag liefdevolle herinneringen aan hem.

Hij werd oorspronkelijk begraven op Passveld in Nederland, maar werd op 28 mei 1947 herbegraven op de speciaal aangelegde begraafplaats in Overloon. De rustige en bosrijke omgeving en de zorg die de Nederlanders aan de begraafplaats besteden, zorgen ervoor dat de graven altijd prachtig onderhouden zijn en dat de jonge mannen die hun leven gaven zodat anderen konden leven, niet vergeten worden.

Lesley Maureen Edwards Finegold
Lesley Edwards (Maureen Finegold) Aged 8 months

In overeenstemming met de Joodse traditie, was ik het volgende kind dat geboren werd, en net zoals Morris genoemd was naar zijn overleden grootvader Morris, zo werd ik Maureen genoemd naar mijn jonge oom Morris.

Uit dankbaarheid voor de oorlogsinspanning betaalde de Nederlandse regering dat de naaste familieleden van degenen die in Overloon begraven waren, de graven konden bezoeken en bij Nederlandse families in huis konden worden opgenomen. Mijn ouders en verschillende broers maakten van de gelegenheid gebruik om Morris’s graf te bezoeken en er ontstond een hechte vriendschap tussen onze families en onze vriendelijke Nederlandse gastheren. Ik herinner me de Nederlandse familie waar mijn ouders logeerden, die naar Engeland kwam om bij mijn ouders te logeren. Op hun terugreis naar Nederland via Dover, raapten ze een grote steen op en droegen die terug naar Morris’ graf in Overloon, zodat hij een herinnering aan Engeland zou hebben. Dit was in overeenstemming met de traditie van Joodse mensen die graven bezoeken en dan een steen op het graf achterlaten ter herinnering aan de overledene.

In recentere tijden hebben verschillende nichten en neven, waaronder ikzelf, Overloon bezocht om onze eer te betuigen. Daarnaast hebben mijn man en ik geweldige vrienden Erna en Kees Tekke uit Oosterhout, die het graf van tijd tot tijd namens ons bezoeken en die zijn graf nu officieel hebben “geadopteerd”.

De Slag om Overloon wordt ook wel “De Vergeten Slag” genoemd, maar de organisatoren en vrijwilligers van de begraafplaats zullen er voor zorgen dat informatie over de begravenen, waar mogelijk, zal worden onderzocht en vastgelegd, zodat de Slag en de herinnering aan de dappere militairen in de graven van de begraafplaats nooit vergeten zullen worden.

Lesley Edwards (Nee Maureen Finegold). April, 2022. Cheshire, Engeland.

Jock-and-Hymie-Finegold-Royal-East-Kent-Regiment
Jock-and-Hymie-Finegold-Royal-East-Kent-Regiment
Sid-Finegold-1929-1922
Sid Finegold 1929-1922
Jock-and-Hymie-Finegold-on-horseback
Jock and Hymie Finegold in Azie
English-families-visiting-war-graves
Engelse families arriveren in Nederland om de oorlogsgraven te bezoeken
Family Morris Finegold
Famile Finegold, Sid, Jock, Roger, David, (Lionel – man van Millie, achter vader Solomon), Harry, Barnie en helemaal rechts is Mannie. Hymie staat niet op de foto.

Bronnen en credits

Lesley Edwards Finegold

volg ons op

e-mail: overloonwarchronicles@gmail.com
correspondentieadres:
Holthesedijk 2 a, 5825JG Overloon

Kvk nummer: 83346422
Banknummer: NL04 RBRB 8835 3869 69
t.n.v. Stichting Overloon War Chronicles

©2021 Overloon War Chronicles