Fisher | Patrick
- Voornamen
Patrick
- Leeftijd
25
- Geboortedatum
1919
- Datum overlijden
28-09-1944
- Servicenummer
5829866
- Rang
Private
- Regiment
Suffolk Regiment, 1st Bn.
- Grafnummer
II. E. 14.
Biografie
Patrick Fisher sneuvelde in de strijd op 28 september 1944. Hij was 25 jaar oud en soldaat in het 1ste Bataljon van het Suffolk Regiment (Servicenummer 5829866). Hij werd aanvankelijk begraven op Terrein D 86c Klotterpeel, Bakel-Milheeze dat net ten zuiden van De Rips en ten noorden van Milheeze ligt en later op 20 mei 1947 bijgezet in Graf II.E.14 op de Oorlogsgravenbegraafplaats Overloon. Zijn inscriptie luidt “Onze gedachten vliegen in stilte naar de dagen dat je bij ons was, want herinneringen sterven niet.”
Er is nog geen foto van Patrick Fisher gevonden. Als iemand die dit leest een foto van hem heeft of meer informatie over hem – of als u hierna fouten in zijn biografie ziet, verzoeken wij u vriendelijk contact met ons op te nemen.
Militaire carrière
Het 1e Bataljon van het Suffolk Regiment was gestationeerd in Devonport als onderdeel van de 8e Infanterie Brigade, 3e Infanterie Divisie en diende van eind 1939 tot mei 1940 bij de British Expeditionary Force (BEF) in Frankrijk. Samen met de rest van de BEF werd het in 1940 geëvacueerd uit Duinkerken.
De volgende vier jaar werden doorgebracht met trainen in het Verenigd Koninkrijk voor de invasie van Normandië in 1944, ook wel bekend als D-Day op 6 juni. Het 1ste Bataljon landde op Sword Beach en was betrokken bij de aanval en de inname van het Hillman Fort op D-Day zelf. Ze bleven oprukken door Frankrijk, waaronder
gevechten die veel levens kostten bij Chateau de la Londe en bij Tinchebray. Soldaat Paddy Fisher wordt kort genoemd in Mark Forsdike’s boek “Fighting Through to Hitler’s Germany” terwijl hij eind juni bij Chateau de Londe was, wat in ieder geval duidt op zijn aanwezigheid daar.
Op 13 augustus raakte hij gewond tijdens de Slag bij Tinchebray. Het 1e Suffolks speelden hun rol in deze gezamenlijke aanval met de Amerikanen die begon op 11 augustus 1944, hoewel hun rol pas echt begon om middernacht op 12 augustus. Op sommige plaatsen stuitten ze op sterke tegenstand en de aanval werd bemoeilijkt door het verlies van veel leidinggevende officieren van de Brigade die gewond raakten toen een granaat neerkwam vlakbij een planningsvergadering op het hoofdkwartier van de Brigade. Op de 12de en 13de leed het bataljon veel slachtoffers voordat het zijn doel bereikte.
Het bataljon trok door België en kwam op 21 september in Nederland aan. Op 22 september trokken ze Weert binnen waar ze werden verwelkomd door de plaatselijke bevolking.
Mark Forsdike beschrijft: “De hele stad kwam nu tot leven. Uit de straten en huizen kwamen mensen tevoorschijn. Meisjes gekleed in rokjes van rood, wit en blauw en de nationale kleur oranje kwamen tevoorschijn om hun bevrijders te omhelzen en te kussen.” Ze bleven tot 27 september in Weert en patrouilleerden langs het kanaal om de sterkte van de vijand in te schatten en probeerden af te rekenen met degenen die ze tegenkwamen.
Ze trokken op naar de rand van een klein bos ten zuiden van het dorp De Rips. Men dacht dat er Duitse troepen in het dorp waren. Er werden twee pogingen ondernomen om een gevechtspatrouille naar een klein dijkje bij het dorp te sturen, maar beide pogingen stuitten op moeilijkheden. Een peloton ging in colonne over het kanaal via een klein bolvormig bruggetje. Daarachter was struikgewas met kleine struiken van ongeveer 4 of 5ft hoog. Ze werden direct door een Duitse schutter onder vuur genomen. Luitenant Cray gaf daarop het commando dat ze zich moesten terugtrekken.
Soldaat Ken Wright nam een gewonde soldaat op zijn rug maar vermoedde dat deze al was overleden, dus legde hij hem voorzichtig neer en ging terug om een andere gewonde soldaat te halen die hij naar de overkant van het kanaal hielp, waarbij ze liever door het water ging dan de overtocht via de brug te riskeren.
Aan de overkant gekomen streken de 2 mannen neer bij Paddy Fisher.
Luitenant Cray nam het risico wel en keerde terug over de brug in plaats van door het water en ging zelfs nog een keer dezelfde weg terug om de soldaat te zoeken die soldaat Wright voor dood had achtergelaten. Luitenant Cray kon hem niet vinden en keerde weer terug over de brug, ditmaal zelfs niet eens gebukt. Plots klonk er een geweerschot en Luitenant Cray ging neer. Soldaat Wright sprong op, rende naar de overkant van de brug en sleepte hem naar de eerstehulppost.
Toen soldaat Wright terugging naar Paddy Fisher, hoorde hij een Forward Observation Officer van de Britse artillerie schreeuwen om een artillerieaanval. De eerste granaat die daarvan insloeg was veel te kort afgesteld en doodde Paddy Fisher.
Paddy Fisher sneuvelde dus door eigen vuur.
Familieachtergrond
Patrick was de zoon van Mr. en Mrs. James Dennies Fisher en de echtgenoot van Marjory Annie Fisher, uit Alderton, Suffolk. Een militair dossier suggereert dat hij in het zuiden van Ierland geboren was.
In september 1939 werkte Patrick Fisher, geboren op 5/8/1919, als Cowman en woonde op 42 Bawdsey Road, Alderton, Deben District, Suffolk in het huishouden van John en Winifred D Garnham. John is geboren op 22/4/1907 en was veehouder op een boerderij. Winifred is geboren op 8/5/1906. Ze schijnen drie kinderen bij zich te hebben gehad, hoewel hun namen niet bekend zijn gemaakt.
Patrick trouwde in 1940 met Marjory A. Cowling in Deben District. Hij wordt daar echter weergegeven als Frederick P. Fisher.
Marjory was de dochter van James Frederick Cowling en Annie Gibson die in oktober 1919 in Woodbridge District waren getrouwd. Annie woonde toen in Alderton en James in Horsford, Norwich.
In 1901 woonde James F. Cowling in Dog Street, Horsford, St Faiths, Norfolk. Hij was geboren op 16 juni 1892 in St Faith’s, Norfolk en woonde in het huishouden van Albert en Edith Howe. Hij werd beschreven als de zoon van Albert. Albert Howe was in 1895 getrouwd met Edith Catherine Cowling in St Faith’s, Norfolk. Albert was in 1868 geboren in Horsford en was metselaar, terwijl Edith in 1870 was geboren in Drayton, Norfolk. In het huishouden waren twee oudere kinderen met de naam Cowling, waarvan James de oudste was, en vier jongere kinderen met de naam Howe, dus het lijkt erop dat de twee oudere kinderen werden geboren voordat Albert en Edith trouwden. De vier jongste werden geboren in Horsford.
James F. Cowling (dienstnummer K7419) meldde zich op 19/7/1910 bij de Royal Navy. Hij tekende voor 12 jaar. Hij was aanvankelijk een Stoker Klasse II en werd op 4/8/1911 bevorderd tot Stoker Klasse I. Tussen verschillende periodes op HMS Pembroke II en I (wat de naam was voor de walinrichting van Chatham) diende hij op HMS Antrim van 17/2/1911 tot 4/8/1911, daarna HMS Diamond tot 21/10/1911. Hij was op HMS Forte van 9/12/1911 tot 4/6/1913, zij het met twee korte periodes van verlof. Hij was een HMS Forward van 16/7/1913 tot 20/4/1915 en opnieuw van 25/5/1915 tot 14/8/1916. Hij diende op HMS Blenheim (Colne) van 15/8/1916 tot 31/3/1918 gevolgd door HMS Egmont (Colne) van 1/4/1918 tot 13/11/1918. Daarna schijnt hij tot zijn ontslag op 18/7/1922 op verschillende walinrichtingen gestationeerd te zijn geweest.
Het is niet bekend hoe hij Annie Gibson ontmoette, maar in de tweede helft van 1919 was hij gestationeerd op HMS Tyne (Northolt).
Annie Gibson werd op 13/1/1895 geboren als dochter van William en Alice Gibson in Alderton, Suffolk. In 1911 woonde ze bij haar ouders in Alderton. William was arbeider op een boerderij. Tien van hun kinderen in de leeftijd van 6 tot 31 jaar waren aanwezig, allemaal geboren in Alderton. Een kleinkind van 1 jaar was ook aanwezig. De drie oudste jongens waren arbeider op een boerderij en de twee oudste meisjes, waaronder Annie, waren hulp in de huishouding.
James en Annie Cowling kregen zeven kinderen, allemaal geboren in het district Woodbridge, van wie Marjorie de oudste was:
Marjorie A. 5/8/1920, Edgerton R. 19/7/1922, Gerald N. 27/9/1924, Albert G. 21/5/1926, Eileen J. 1929, Lilian K. 1929 en Audrey J. E. 7/8/1934.
James, Annie en Marjorie Cowling kwamen niet voor in het register van juni 1921, hoewel James toen nog bij de marine zat.
In 1939 woonden James en Annie in 3 Council House, Alderton, Deben district, Suffolk. James werkte als Warriner op een boerderij. Alle zeven kinderen waren aanwezig. Marjorie werd vermeld als “Arbeidsongeschikt”. De twee oudste jongens waren landarbeiders. Er werd aangegeven dat Marjorie later trouwde met iemand die Fisher heette en dat Audrey trouwde met iemand die Broyd heette.
Na hun huwelijk kregen Patrick en Marjorie Fisher in 1941 een tweeling in het Deben district, Margaret A. Fisher en Mary K. Fisher. Helaas stierven beiden kort na de geboorte.
Blijkbaar leed Marjorie aan epilepsie die verergerd werd door de zwangerschap, gevolgd door het verlies van haar kinderen en daarna haar man. Dit veroorzaakte een verslechtering van haar geestelijke gezondheid die haar de rest van haar leven zwaar heeft getroffen.
Marjorie Annie Fisher, geboren 5/8/1920, stierf op 8/11/1981. Ze woonde in Ipswich en werd beschreven als van St Audreys Hospital Melton, Woodbridge, Suffolk.
Bronnen en credits
Van de FindMyPast website: Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1939; militaire registers, kieslijsten
Suffolk Regiment Oorlogsdagboek
Wikipedia en Friends of the Suffolk Regiment websites voor informatie over het regiment
“Doorvechten naar Hitler’s Duitsland” ( “Fighting Through to Hitler’s Germany”) door Mark Forsdike
Hulp van Kerry Marie Steff, de achternicht van Marjory Fisher.
Research Elaine Gathercole