Skip to main content

Moore | George

  • Voornamen

    George

  • Leeftijd

    29

  • Geboortedatum

    09-05-1915

  • Datum overlijden

    18-10-1944

  • Servicenummer

    3769934

  • Rang

    Lance Corporal

  • Regiment

    South Lancashire Regiment, 1st Bn.

  • Grafnummer

    II. A. 8.

George Moore
George Moore
Graf George Moore
Graf George Moore

Biografie

George Moore (Servicenummer 3769934) sneuvelde op 18 oktober 1944 aan zijn verwondingen. Hij diende bij het South Lancashire Regiment, 1st Bn. en werd tijdelijk begraven Deurneseweg in Oploo. Op 28 januari 1946 werd hij herbegraven in graf II.A.8 op Overloon War Cemetery. 

Familieachtergrond

George Moore wordt op 9 mei 1915 geboren in West Derby, Lancashire, England. 
Zijn ouders waren George Moore (1890-1953) en Sarah Alice Moore (geboren Bateman) (1894-1979). 

Zijn vader was bakker en zijn moeder werkte thuis. In 1918 tijdens de Eerste Wereldoorlog was zijn vader werkzaam bij het Royal Army Medical Corps.

George had de volgende broers en zussen: Alice Moore (1913-1988), Albert Leonard Moore (1918-1999), Esther Moore (1921-1985), Lilian Moore (1924-2005), William Harold Moore (1927-1986), Jennie Moore (1931-1985) en  halfzus Jean Moore (1936-). 

Het gezin woonde in Liverpool 56 Uxbridge Street, Edge Hill. Later woonden zij in 19 Marmaduke Street in Liverpool. 

Militaire carriere van George Moore

Vroege jaren en de Territorial Army (1934–1937)

Op 17 april 1934 schreef de 18-jarige George Moore zich in bij de Territorial Army. Hij werd ingedeeld bij het 5e Bataljon van het King’s Regiment (Liverpool). In de jaren 1934, 1935 en 1936 nam hij trouw deel aan de verplichte 15-daagse jaarlijkse trainingen. Destijds woonde hij op Marmaduke Street 19 in Liverpool, was hij ongehuwd en verdiende hij de kost als sjouwer bij de spoorwegen.

Op 20 oktober 1936 werd hij eervol ontslagen bij dit bataljon, om een dag later in Seaforth officieel fit te worden verklaard voor actieve dienst bij The King’s Regiment. Als direct nabestaande gaf hij zijn vader op: George Moore met als adres 22 Mozart Street Lodge Lane in Liverpool. 

Tijdens zijn opleiding toonde George zich leergierig; hij behaalde twee onderwijscertificaten: het 3e klasse certificaat op 9 december 1936 in Seaforth en het 2e klasse certificaat op 12 juli 1939 in Peshawar, Brits-Indië.

Een wereldwijd strijdtoneel

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het grote King’s Regiment verspreid over diverse fronten, waarbij elk bataljon een eigen koers voer:

  • Brits-Indië (nu Pakistan/India): Het 1e en 13e Bataljon bewaakten de grenzen en handhaafden de orde. Later vormden zij de kern van de beroemde “Chindits”, die diep in de jungle van Birma tegen de Japanners vochten.
  • Engeland en Europa: Het 5e en 8e Bataljon verdedigden het thuisfront tot zij in 1944 deelnamen aan de landing in Normandië.
  • Middellandse Zee: Het 2e Bataljon vocht in Noord-Afrika en nam deel aan de invasies van Italië en Griekenland.

Hoewel het regiment zijn ceremoniële basis in Liverpool had, vochten de manschappen overal: van de Franse stranden tot de bergen van Pakistan en de Birmese jungle.

Dienst in Brits-Indië: De Transportafdeling

Op 10 november 1937 werd George als Private (soldaat) ingedeeld bij het 1e Bataljon en uitgezonden naar Peshawar, nabij de Afghaanse grens. Hij werd geplaatst bij de transportafdeling. Peshawar was een strategische buitenpost bij de Khyberpas. Vanwege het ruige, bergachtige terrein waren vrachtwagens onbruikbaar, waardoor de eenheid volledig vertrouwde op muilezels voor het transport van munitie en voorraden.

Het verzorgen van deze dieren was een zware dagtaak. Het intensief borstelen met een roskam was essentieel om zweren door de zware bepakking te voorkomen. George werd door zijn superieuren omschreven als een rustige, respectvolle en opgewekte werker met uitstekende vooruitzichten. In september 1938 werd hij officieel beoordeeld als een bekwaam ruiter met een “goede kennis van diermanagement”.

Incidenten met muilezels

Ondanks zijn goede zorg voor de dieren, leek George tussen 1939 en 1941 een magneet voor ongelukken met de eigenzinnige lastdieren:
Februari 1939: Tijdens een oefening sloeg een muildier van een medesoldaat op hol. De paniek sloeg over op de andere dieren. George werd van zijn muildier geworpen en kreeg op de grond een trap van het dier.

Juli 1939: Terwijl hij met een groep naar de “Grass Farm” reed, steigerde een passerend muildier en deelde een krachtige trap uit tegen George’s rechterenkel. Hij moest met grote pijn op eigen kracht terugkeren naar de kazerne.

Augustus 1941: Zelfs tijdens de dagelijkse verzorging ging het mis. Terwijl George achter zijn dier langs liep om zijn roskam weg te leggen, sloeg het muildier onverwacht uit. De trap raakte hem vol op zijn rechterknie, waardoor hij twee dagen in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

Discipline en Promotie

Zijn Service Record toonde ook de menselijke kant van de jonge soldaat. In zijn vroege diensttijd in Devonport bleef hij eens vier dagen weg zonder verlof, wat hem een boete opleverde. In India werd de discipline strenger; kleine overtredingen, zoals een onvolledig uniform of het kortstondig verlaten van zijn post, werden bestraft met “C.B.” (Confined to Barracks) “verboden de kazerne te verlaten”. Desondanks bleef hij ambitieus. Zijn behaalde onderwijscertificaten leidden op 11 maart 1943 tot zijn promotie naar Lance Corporal.

Vanaf 2 augustus 1943 tot 28 januari 1944 diende hij in India bij het het 13e Bataljon. Het 13e King’s leverde het grootste deel van het Britse contingent voor de “Chindits” (Birmaanse woord voor Leeuw). De Chindits, officieel bekend als Long Range Penetration Groups, waren speciale operatie-eenheden van het Britse en Indiase leger die in 1943-1944 in actie kwamen tijdens de Birma-campagne van de Tweede Wereldoorlog. Hun operaties bestonden uit lange marsen door extreem moeilijk terrein, uitgevoerd door ondervoede troepen die vaak verzwakt waren door ziekten zoals malaria en dysenterie. Er blijft controverse bestaan over het extreem hoge aantal slachtoffers en de discutabele militaire waarde van de prestaties van de Chindits. Mogelijk was George bij deze operaties betrokken. 

De weg naar het front in Europa

Op 28 januari 1944 verliet George de haven van Bombay en keerde hij terug naar Engeland. Na omzwervingen via verschillende trainingscentra werd hij in juni 1944 medisch gekeurd en fit bevonden voor actieve dienst in Noord-West Europa.

In de zomer van 1944 volgden de administratieve wijzigingen elkaar snel op:
In juli werd hij op de S.O.S.-lijst (Struck Off Strength) geplaatst ter voorbereiding op een nieuwe indeling.
Op 11 augustus werd hij toegevoegd aan een S.O.S. Reinforcement Draft groep (versterkingsgroep).
Op 21 augustus 1944 werd hij officieel ingedeeld als T.O.S. (Taken On Strength) bij het 1st Battalion, South Lancashire Regiment. Hiervoor leverde hij zijn strepen in en werd hij weer Private. Diezelfde dag vertrok hij naar Frankrijk.

De invasie in Normandië en de Falaise Pocket

George sloot zich aan bij een bataljon dat al een zware strijd achter de rug had. Het 1st Battalion was op D-Day geland op Sword Beach bij Colleville-sur-Mer. De landing en de opmars kostten aan meer dan 100 Lancashires het leven, inclusief hun bevelhebber. Na felle gevechten bij de Pegasusbrug, de bloedige slag om Caen en de verovering van Chateau de La Londe, nam het bataljon deel aan het offensief bij de Falaise Pocket.
Toen George zich op 21 augustus bij zijn eenheid voegde, was de omsingeling van de Duitse troepen net voltooid en kwam de Slag om Normandië ten einde. Na een korte periode van rust en training in Noord-Frankrijk, trok het regiment via België richting de Nederlandse grens.

Operatie Market Garden en de strijd om Overloon

Op 17 september 1944 ging Operatie Market Garden van start. Het plan van de geallieerden was om snel door Nederland door te stoten door luchtlandingstroepen te droppen bij de bruggen over de Maas, Waal en Rijn. Het doel was deze bruggen te veroveren en veilig te stellen, in combinatie met een gelijktijdige pantseraanval op een smal front vanuit België. Zowel de East Lancashires als de South Lancashires namen deel aan deze operatie op de flanken van de hoofdas; de South Lancashires bevonden zich aan de rechterflank.

Hiertoe vormden de South Lancashires op 18 september, samen met de Suffolks en Yorkshires, eerst een bruggenhoofd naar Sint-Huibrechts-Lille. Er volgden patrouilles richting Kaulille, waar de volgende dag het tijdelijke hoofdkwartier werd gevestigd. In de twee dagen daarna werd het Maas-Scheldekanaal overgestoken en op 20 september trok het bataljon Hamont binnen. Het plan was om de volgende dag door te stoten naar Weert, maar die eerste gezamenlijke aanval mislukte door hevige Duitse tegenstand.

Na een aantal dagen van verkenningen kwamen George en zijn bataljon via Maarheeze, Leende, Heeze, Geldrop en Helmond aan in Bakel. Deze route voerde door gebied dat al door de 11e Britse Pantserdivisie was bevrijd. Vervolgens werden zij op 3 oktober ingezet in Mook, net ten zuiden van Nijmegen. Dit maakte deel uit van het offensief in het kader van Operatie Market Garden, dat uiteindelijk mislukte omdat de brug bij Arnhem niet kon worden veroverd. Hierdoor kwamen de geallieerden in een smalle corridor door Nederland terecht. Op 30 september deed de Amerikaanse 7e Pantserdivisie al een poging om deze corridor te verbreden door vanuit hun positie bij Sint Anthonis Overloon aan te vallen, maar ook deze aanval mislukte.

Het bataljon bleef tot 8 oktober in Mook en trok daarna naar het zuiden, richting Wanroij. Op 9 october werd George weer bevorderd tot Lance Corporal. Inmiddels was besloten dat de Amerikanen zich zouden terugtrekken en dat de Britten het verbreden van de corridor via Overloon, Venray en Venlo op zich zouden nemen. Aanvankelijk zou de aanval op Overloon op 11 oktober beginnen, maar vanwege het zeer natte weer en de slechte bodemgesteldheid werd dit uitgesteld naar 12 oktober.

Op 12 oktober begon de aanval om 12.00 uur met een zeer zwaar artilleriebombardement. De 2 East Yorks leidden de aanval op het gebied dat werd omschreven als ‘Dog Wood’, ten westen van Overloon, terwijl de 1 Suffolks zich richtten op Overloon zelf. Beide eenheden bereikten hun doel om 15.00 uur, waarna er nog opruimwerkzaamheden volgden. De 1 South Lancs werden eerder in reserve gehouden, maar om 17.00 uur kregen de A- en D-compagnieën het bevel om op te rukken om een resterend gebied te zuiveren. Elke voorste compagnie werd hierbij ondersteund door een troep van de 3 Grenadier Guards. Zij stuitten op weinig tegenstand en tegen de avond hadden zij hun positie ingenomen aan de rand van een open plek ten westen van Overloon.

De aanval op Overloon en Venray

De volgende dag rukten zij iets verder naar het zuiden op. Op 14 oktober kregen zij echter de opdracht naar de weg tussen Rouw en Halfweg (ten noordoosten van Overloon) te gaan om de controle over een kruising richting het Schaartven veilig te stellen. Ondertussen hadden de 1 Suffolks en 2 East Yorks moeite om de Molenbeek over te steken en Brabander en Venray aan te vallen. Het bataljon van George trok op 17 oktober achter de 2 East Yorks aan naar de noordwestelijke rand van Venray, waar zij de opdracht kregen het zuidelijke deel van de plaats in te nemen. Ondanks dat Venray nagenoeg gezuiverd was, volgden er nog hevige artilleriebeschietingen en werden er mijnenvelden ontdekt. Op deze dag werd Venray officieel bevrijd.

De geplande opmars naar Venlo moest echter een dag later, op bevel van opperbevelhebber Eisenhower, plotseling worden afgebroken. De bevrijding van de Scheldemond kreeg prioriteit. De strategie voor de opmars naar het zuiden werd heroverwogen en de aandacht verschoof naar patrouilles ten oosten van Venray. Als gevolg hiervan bleef Venray nog maandenlang een frontstad; ondanks de bevrijding bleven artilleriebeschietingen over en weer aan de orde van de dag.

Het was op deze dag, 18 oktober 1944, dat George Moore gewond raakte en diezelfde dag aan zijn verwondingen overleed.

Hij heeft dan 7 jaar en 363 dagen gediend. 

Hij werd samen met een aantal kameraden begraven aan de Deurneseweg in Oploo en op 28 januari 1946 herbegraven op Overloon War Cemetery.

George Moore ontving voor zijn inzet de volgende medailles: 1939-43 Star, France & German Star, Defence medal, en de War medal.

George Moore (right) and comrade with regimental horses
George Moore (right) and comrade with regimental horses
Vader George Moore
Vader George Moore
Moeder Sarah Alice Bateman Moore
Moeder Sarah Alice Bateman Moore

Bronnen en credits

Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; militaire registers en stambomen.
Ancestry stamboom Eric Bateman
Wikipedia voor 1st South Lancashire Regiment, King’s Regiment (Liverpool), 13th King’s Regiment
War Diaries 1st South Lancashire Regiment
Service Record WO 423/362060 van George Moore van de National Archives
Kevin Moore en Leo Janssen voor de foto van George
Eric Bateman voor de foto’s van de ouders van George

Research Anny Huberts

volg ons op

e-mail: overloonwarchronicles@gmail.com
correspondentieadres:
Holthesedijk 2 a, 5825JG Overloon

Kvk nummer: 83346422
Banknummer: NL04 RBRB 8835 3869 69
t.n.v. Stichting Overloon War Chronicles
BIC / SWIFT code  RBRBNL21

©2021 Overloon War Chronicles