Skip to main content

Bellamy | Michael Hardy Child

  • Voornamen

    Michael Hardy Child

  • Leeftijd

    20

  • Geboortedatum

    31-12-1923

  • Datum overlijden

    13-10-1944

  • Servicenummer

    293708

  • Rang

    Lieutenant

  • Regiment

    King’s Shropshire Light Infantry, 2nd Bn.

  • Grafnummer

    II. C. 2.

Michael Bellamy
Michael Bellamy
Graf Michael Bellamy
Graf Michael Bellamy

Biografie

Lt. Michael Hardy Child Bellamy (servicenummer 293708) sneuvelde in de strijd op 13 oktober 1944 op slechts 20-jarige leeftijd. Hij zat in het 2e Bataljon, King’s Shropshire Light Infantry. Hij werd aanvankelijk begraven op de begraafplaats bij de familie P. Borghs, Vierlingsbeekseweg, Overloon en later herbegraven op 13 mei 1947 in graf II. C. 2 op de Oorlogsgravenbegraafplaats van het Gemenebest Overloon in Overloon. De inscriptie op zijn graf luidt: “Ik heb een goede strijd gestreden, ik heb mijn taak volbracht, ik heb het geloof behouden.”

Hij werd op 31 december 1923 geboren als zoon van Ernest Charles Bellamy en Ethel Mary Bellamy (geboren Child) uit Gorleston, Norfolk.

De familie van Michael’s vader

Zijn vader, Ernest Charles Bellamy, werd op 18 februari 1880 in Gorleston geboren als zoon van David W Bellamy en Lucy Jane Bellamy. David Bellamy was slager en had in 1881 één man en twee jongens in dienst. Zijn vrouw Lucy was geboren in St Clair, Michigan in de Verenigde Staten. Ze was de dochter van Charles George Kitton, een kapitein in de koopvaardijdienst, dus ze kan Engels geweest zijn, maar geboren in de VS. Ze woonden in Baker Street in Gorleston in 1881 en 1891. Ernest was enige zoon in een gezin van 6 kinderen: Lucy M (1879), Ernest C (1880), Alice G (1881), Margaret S (1884), Dorothy A A (1888), Jessie E (1890). Helaas overleed zijn moeder Lucy op 19 juli 1899, slechts 51 jaar oud. Ze ligt begraven in Great Yarmouth New Cemetery met de inscriptie “Loving Memory of Lucy Wife of D.W. Bellamy who died June 19 1899 aged 51 years.” In 1901 woonde het gezin in 136, King Street, Great Yarmouth. Alle kinderen waren nog thuis en vier van de oudere kinderen werkten: Ernest als slager; Lucy en Margaret als slagersbedienden en Alice als melkboerin. Het gezin had twee bedienden in dienst, van wie er één, Elizabeth Davey, bij hen was van tenminste 1881 tot na 1901. In 1911 was David Bellamy boer geworden op Wheatcroft Farm in Bradwell en hij was daar nog steeds in 1939, slechts een jaar voordat hij in 1940 overleed. Zijn dochter Margaret woonde bij hem als huishoudster en was 56 toen haar vader stierf. Zijn zoon, Ernest Charles Bellamy, beheerde zijn nalatenschap.

De familie van Michael’s moeder

Michael’s moeder, Ethel Mary Child, werd op 14 augustus 1884 in Great Yarmouth geboren als dochter van Benjamin Charles Child en Harriet A Child. Ze kregen slechts twee kinderen, Ethel Mary in 1884 en Alice Eleanor veel later, in 1903. Ten tijde van de volkstelling van 1901 bezocht Ethel haar oom William Chapman in Willesden, Middlesex. In 1891 woonde het gezin in Nelson Terrace, Great Yarmouth, maar in 1901 waren ze verhuisd naar Trafalgar Road, Great Yarmouth en in 1911 en 1921 woonden ze in Nelson Road, Great Yarmouth. In 1921 stond Benjamin te boek als gepensioneerd na gewerkt te hebben als belastinginner voor Great Yarmouth Town Council en Great Yarmouth Board of Guardians.

Michael’s ouders

Ernest Charles Bellamy trouwde in 1909 in het district Yarmouth met Ethel Mary Child. Ze kregen de volgende vijf kinderen Margaret Lucy Elizabeth (1910) – bekend als Betty, David Winter Child (1911), Ernest Peter (1915) – bekend als Peter, John Roger (1918) en Michael Hardy Child (1923). Ernest werd in 1911 weergegeven als een Meester Slager. In zowel 1911 als 1921 woonden Ernest en Ethel op 136 King St, Great Yarmouth, dezelfde locatie waar Ernests vader in 1901 woonde. Elizabeth Davey werkte in 1911 nog steeds voor hen als kokkin. In 1917 werd het partnerschap tussen Ernest en zijn vader in de slagerij D.W. Bellamy & Son ontbonden en Ernest ging de zaak leiden. In die tijd hadden ze panden in 136 King Street en 61 King Street, Great Yarmouth en ook in 48 High Street en 22 Baker Street, Gorleston on Sea.

Michaels kleindochter Margaret vertelt dat Ernest onvermoeibaar in de zaak werkte, maar ook erg actief was in het stadsleven. Hij richtte de Great Yarmouth Operatic and Dramatic Society op, trad op in toneelstukken en Gilbert and Sullivan opera’s en gaf zijn liefde voor toneel en muziek door aan zijn dochter, de moeder van Margaret. Zij gelooft dat zijn talenten van generatie op generatie zijn doorgegeven aan de huidige leden van de familie, waaronder een achterkleindochter die professioneel fluitiste is en een achterkleindochter die Musical Theatre studeert. Hij zorgde er nauwgezet voor dat zijn zussen financieel veilig waren en was vriendelijk en gul voor iedereen. De familie was erg belangrijk voor hem.

Het lijkt erop dat ze vanaf ongeveer 1929 het pand in King Street behielden, vermoedelijk als onderdeel van hun bedrijf, maar dat ze in Bradwell House, Burgh Road, Bradwell woonden, net aan de rand van Gorleston. Hier woonden ze toen het register van 1939 in september van dat jaar werd opgemaakt. Ernest werd vermeld als meesterslager en vleesaannemer. Bij hen woonde Ethels vader, Benjamin Child, die weduwe was, en haar zus, Alice Eleanor Child (bekend als Eleanor), die 36 was en werkte als onderwijzeres. Alle kinderen van Ernest en Ethel waren het huis uit. Michael’s zus, Margaret Lucy Elizabeth (Betty) Bellamy, was in 1937 getrouwd met Edward Rudolf (Rudy) Wood en was naar Hereford verhuisd. Ze kregen een dochter, Margaret, in 1939 en een andere, Caroline, in 1942. Tegen die tijd was David Winter Child Bellamy bij het leger gegaan, net als mogelijk zijn broer John Roger Bellamy.

Peter Bellamy leek de ondeugende van de familie te zijn, of kreeg in ieder geval de schuld van kattenkwaad. Hij was een trage of onoplettende leerling op de Duncan House School in Great Yarmouth, maar deed het veel beter op de King Edward 7th School in Kings Lynn waar hij als kostschoolleerling bij zijn oudere broer David zat. Hij haalde zijn schooldiploma in 1932 en verhuisde naar Londen om op Smithfield Market als kruier te gaan werken.

Tijdens de moeilijke jaren van de depressie was er geen plaats voor hem in het familiebedrijf. In 1935 ging hij bij de Metropolitan Police werken en werd vanwege zijn schooldiploma’s vrijgesteld van het Civil Service onderwijsexamen om promotie te kunnen maken. In 1939 werkte hij bij de CID van de Metropolitan Police en woonde hij in Ealing. Ethels moeder stierf in 1937 en haar vader in 1941.

Michael Bellamy and family
Achterste rij Peter Bellamy, Benjamin Charles Child, David Bellamy. Volgende rij Ethel and Ernest Bellamy, Rudy en Betty Wood, David W. Bellamy. Daaronder Mrs Kate Wood en zittend Michael Bellamy, John Bellamy

Militaire carrière 

Michael volgde zijn opleiding aan de Duncan House School en het Framlingham College. In 1940 ging hij werken bij Lloyd’s Bank in Ludlow. Hij wachtte niet om opgeroepen te worden, maar meldde zich in 1942 vrijwillig aan. Hij kwam uit Sandhurst als tankofficier en wilde eigenlijk bij een tankbrigade, maar bij herverdeling werd hij naar het King’s Shropshire Light Infantry Regiment gestuurd. In januari 1944 was hij 2e Luitenant en waarnemend Luitenant op D-Day op 6 juli 1944. Voorafgaand aan D-Day had hij enige tijd in Schotland getraind.

Het 2e Bataljon begon de oorlog in Jamaica, met een compagnie die naar het Bermuda Garrison werd gedetacheerd. Het bataljon zou zich uiteindelijk aansluiten bij de 185e Infanterie Brigade, die bestond uit het 2e Bataljon, Royal Warwickshire Regiment en het 1e Bataljon, Royal Norfolk Regiment. De brigade was oorspronkelijk ingedeeld bij de 79th Armoured Division, maar werd in april 1943 overgeplaatst naar de 3rd British Infantry Division, toen deze divisie zich voorbereidde op de invasie van Sicilië, totdat het werd vervangen door de 1st Canadian Infantry Division. Het bataljon nam deel aan de D-Day landingen (Operation Overlord), waar ze er niet in slaagden het D-Day doel Caen te veroveren door de aanwezigheid van de 21st Panzer Division.

Michael was aanwezig op D-Day en werd de volgende dag, 7 juli 1944, als gewond gemeld. Achtendertig jaar later schreef zijn zus, Betty Wood, het verhaal op van wat er met hem was gebeurd. Het volledige verhaal kun je lezen in dit achtergrondverhaal. Hij behoorde niet tot de allereersten die bij Arromanches landden, maar hij landde wel vrij vroeg op D-Day. Hij verdronk bijna toen hij voor het eerst van de amfibieboot in het diepe water sprong. Er was een draadkabel aan land gelegd om van boord te kunnen gaan, maar er stond een zware deining. Toen de onderstroom terugliep, bleef de kabel in de bovenkant van zijn rugzak haken en sleurde hem onder water waar hij met moeite zichzelf bevrijdde. Gelukkig tilde de volgende deining de kabel op en kwam hij boven water en bereikte het strand. Toen ze die dag aan het marcheren waren, moest hij toezien hoe een van zijn metgezellen een voltreffer kreeg van een mortierbom. Er bleef niets van hem over.

Michael werd toen gevraagd om een verkenning uit te voeren en een rapport uit te brengen over vijandelijke aanwezigheid en activiteit. Toen hij een beek probeerde over te steken, werd hij net onder de knie door zijn been geschoten. De kogel ging dwars door het been en het bot, zonder schade aan te richten aan de gewrichten, maar waardoor hij hevig bloedde. Hij zocht dekking en toen hij dacht dat de weg vrij was, begon hij terug te strompelen naar zijn eenheid. Hij moest een veld oversteken dat op de heenweg volkomen rustig was geweest. Nu werd het echter van beide kanten bestookt. Op de een of andere manier lukte het hem om aan de andere kant te komen, maar niet voordat hij door zijn elleboog was geraakt. Hij had een opmerkelijke wond, omdat de kogel onder het gewricht naar binnen ging en er net boven uitkwam, maar wonderbaarlijk genoeg geen bot schade aanrichtte. Hoewel het niet eenvoudig was, slaagde hij erin zich te verbinden en uiteindelijk terug te keren naar zijn eenheid. Hij werd toen teruggebracht naar het strand en uiteindelijk aan boord van een schip gezet en was ergens in de nacht terug in het Ronkswood Hospital in Worcester.

De week daarop liep hij mank maar had hij niet veel pijn. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis verbleef hij een paar dagen bij zijn zus in Hereford om wat langer te herstellen. Het kan in deze tijd zijn dat zijn nichtje Margaret, toen net 5 jaar oud, zich hem herinnert als een jongen met krullend haar die een dom spelletje met haar speelde. Na dit verblijf ging hij terug naar zijn ouders in Bradwell. Hij reisde met de bus naar Hereford met zijn zus en haar kinderen, maar hij verliet de bus om een kortere weg naar het station te nemen. Ze zwaaiden hem uit en dat was de laatste keer dat ze hem zagen. Hij ontmoette ook zijn broer John toen hij herstellende was van zijn verwonding.

Michael  keerde terug naar zijn regiment in Augustus 1944.

Zijn broer David was het laatste familielid dat hem in leven zag. Ze konden elkaar een paar keer ontmoeten in augustus 1944 toen ze allebei in de Seinevallei in Frankrijk dienden. David had er achteraf spijt van dat hij in eerste instantie niet opener en liefdevoller was geweest tegen Michael. Ze hadden allebei vreselijke ervaringen meegemaakt en David moet het gevoel hebben gehad dat hij de eenheid niet in de steek moest laten door te emotioneel te zijn. Een tweede ontmoeting voelde wat normaler en David zag dat Michael duidelijk geliefd was bij zijn peloton en bij de officieren. Hun laatste woorden tegen elkaar waren: David: “Nou, ik moet er vandoor. Misschien zie ik je een tijdje niet. Zorg goed voor jezelf.”
Michael: “OK. Let op hoe je gaat. Succes.”

Het 2nd Battalion trok door België en Nederland maar de slechts gedeeltelijk succesvolle operatie Market Garden, die tot Nijmegen reikte maar er niet in slaagde Arnhem in te nemen, liet de geallieerden in een nogal precaire smalle frontlinie achter.

Tussen 2 en 8 oktober 1944 bevond het 2de Bataljon zich in Mook dat op de oostelijke oever van de rivier de Maas ligt, ten zuiden van Nijmegen en ten noorden van Overloon. Het doel was om de vijand in het oosten in het Reichwald aan te vallen, maar de prioriteiten veranderden in het verbreden van de frontlinie door naar het zuiden te trekken om Overloon, Venray en de oversteek van de Maas bij Venlo in te nemen. Het bataljon daalde daarom af naar Oeffelt en bereikte Rijkevoort op 12 oktober.

Bij het eerste licht op 13 oktober voerden de bevelvoerend officier en de compagniescommandanten een verkenning uit van de bossen ten zuiden van Overloon waar het bataljon doorheen zou trekken, terwijl het bataljon zijn verzamelplaats ongeveer 1.000 yds ten noorden van Overloon bereikte voorafgaand aan de aanval zelf die om 12 uur ’s middags begon.

Het bataljon kreeg steun van een eskader Churchill tanks van de Coldstream Guards en een spervuur van de artillerie. Het plan was dat de compagnieën W en Z respectievelijk de twee voorste compagnieën links en rechts zouden zijn. Y compagnie zou oprukken aan de oostelijke rand van het bos en bescherming bieden aan de aanval vanaf die flank. X compagnie moest in reserve blijven. De aanval bleek moeilijk omdat de Churchill tanks vastliepen of vertraagd werden door mijnenvelden en de radiocommunicatie in de dichte bossen slecht was. De twee voorste compagnieën slaagden erin om ongeveer de beoogde posities te bereiken, maar Y compagnie ontdekte dat de bosrand op de kaart op de grond verre van duidelijk was. Ze slaagden erin hun gebied te bereiken na veel omzwervingen door het bos.

Capt. R.R. Rylands, ‘W’ Company, 2 KSLI schreef: “De bossen waren zo uitgestrekt dat een bosopruimingsoefening uit het boekje niet mogelijk was, vooral omdat de kaart niet ‘klopte’.  De klus werd geklaard – met aanzienlijke verliezen, vooral aan de voorkant van het bos tegenover Brabander en Venraij. Lt. Mike Bellamy, die zich weer had aangesloten nadat hij op D-Day gewond was geraakt, werd gedood door een verborgen machinegeweer.” Een andere bron merkte op dat dit “een zeer groot verlies was omdat hij altijd opgewekt was en meer ervaring had dan de gemiddelde onderofficier.”

De impact op zijn familie

Michael’s broers David en Peter bezochten zijn oorspronkelijke graf in Overloon op zondag 7 oktober 1945. Ze schreven hun ouders over hun pelgrimstocht. Ethel schreef vervolgens een brief aan haar dochter Betty gedateerd 11 oktober, een jaar nadat Michael zijn ouders voor het laatst had geschreven – slechts twee dagen voordat hij werd vermoord. Ze sloot een uittreksel van Davids brief bij:

“Zondag was een prachtige dag na de regen en wolken van de week ervoor. We verlieten Nijmegen rond negen uur en reisden eerst naar Grave en toen over de weg langs de Maas tot we landinwaarts gingen naar Overloon. Het is een verloren hoek van Nederland en weinig hersteld. Tanks en uitgeschakelde voertuigen liggen nog steeds in de velden en het dorp en de bossen en het struikgewas eromheen zijn denk ik meer verwoest dan enig ander gehucht dat ik buiten Normandië heb gezien. Er was ons verteld om linksaf te slaan bij de kerk, die alleen te herkennen was aan een hoop puin met fragmenten van bogen en kerkelijk uitziende steunstenen en platen materiaal om te laten zien wat het was.

Toen ontmoetten we op de plek van de oorlogsbegraafplaats die nu wordt gevormd op een helling in een klein bos een Engels sprekende Nederlander. Ik denk dat hij iets te maken had met het oorlogsmuseum en monument dat de Nederlandse regering in samenwerking met de 3e Divisie aan het bouwen is naast de officiële begraafplaats. Hij nam ons mee naar het museum, een mooi, lang gebouw in aanbouw op de hoek van een dennenbos dat moet blijven zoals het is met zijn oorlogspuin, een beetje in de trant van de Canadese herdenkingsloopgraven bij Vimy Ridge na de vorige oorlog. Daarna nam hij ons mee langs de geïsoleerde graven of kleine tijdelijke begraafplaatsen in de omgeving, maar pas ’s middags, toen we het bijna hadden opgegeven, kwamen we bij Michael. Zoals Rylands zei, was hij in een tuin begraven; het was aan de weg die van Overloon naar de Maas liep. Er waren daar nog drie anderen die op dezelfde dag waren gedood. Ik kan niet beweren dat het iets anders was dan een trieste en troosteloze plek in een klein stukje tuin van twee arme huisjes, nu overvol met mensen die naar dit dorp zijn teruggekeerd en alles wat ze kunnen doen, om zichzelf te voeden en te overleven tussen de ruïnes. Maar de graven zijn verzorgd en vrij van onkruid en aan de voet van elk graf is een bloem geplant die oranje bloeide, de nationale kleur van Nederland.

De officiële begraafplaats is nu klaar en herbegravingen zullen waarschijnlijk in de komende maand plaatsvinden, maar ik was blij dat ik de plek gezien had zoals hij was en dat ik me kon voorstellen hoe de gevechten geweest moeten zijn. Als je deze brief krijgt, is het net een jaar geleden dat Michael stierf; ik hoop dat dit verslag niet bijdraagt aan het hernieuwde verdriet dat je nu zeker zult voelen, maar dat je blij zult zijn dat iemand van hem in staat was om mee te gaan”.

Ethel was zo dankbaar dat de graven goed verzorgd werden en zegt aan het eind van haar brief: “Het is heel goed en aardig van de mensen.”

Men denkt dat Michael’s ouders uiteindelijk contact hadden met de familie Borghs die eigenaar was van de cottage tuin waar Michael tijdelijk was begraven en Peter bezocht later de officiële begraafplaats, net als zijn zoon Michael, die naar zijn oom was vernoemd.
Waarschijnlijk was de man die zijn broer ontmoette en die hen zijn graf liet zien Harry van Daal, die een belangrijke rol speelde bij de oprichting van het Oorlogsmuseum in Overloon.

Peter bezocht Overloon opnieuw in 1960 op weg naar dochter Susan die bij een Duitse familie in Remscheid verbleef. Maar deze keer was het naar de echte begraafplaats, niet naar een tuin met oranje bloemen op het graf zoals in 1945.

Een generatie later volgde de vreemde belevenis van Michael Charles Bellamy (geboren op 20/02/1945) en vernoemd naar de oom die hij nooit gekend had. Met Pasen in het begin van de jaren tachtig was hij met zijn jonge gezin in Nederland en verbleef hij een paar dagen in een bungalowpark. Ze hadden fietsen en brachten uren door met het verkennen van de omgeving. Ze kwamen bij de oorlogsbegraafplaats Overloon. Zijn vrouw Pat en de kinderen gingen naar binnen om de graven te bekijken, maar Michael bleef buiten zitten omdat hij een boek wilde afmaken. Toen hij dat gedaan had, stond hij op om te kijken waar de familie was gebleven en toen hij ze in de gaten kreeg, draaide hij zich om en zag zijn eigen naam op een grafsteen staan. Hij had Michael’s graf bij toeval gevonden en vond de ervaring griezelig en vindt dat nog steeds.

Michaels moeder, Ethel, was een liefhebbende moeder en grootmoeder, maar had binnen de familie de reputatie een beetje intimiderend te zijn. Ze bewaarde Michaels uniform in een kast die haar kleindochter Margaret niet lang na Michaels dood opende. Ethel legde uit wat het was en verraste haar kleindochter nogal door met een snik te zeggen: “Arme oom Michael.” Margaret schrok van haar tranen, maar even later was ze weer haar stoïcijnse zelf.

Zijn dood was een zware klap voor de hele familie. Maar ze droegen hun verlies moedig en gingen gewoon door, net als zoveel anderen.

Michael wordt herdacht in Bradwell St Nicholas op het graf van zijn ouders en broer David.

Bellamy Family Grave Bradwell St Nicholas
Bellamy Family Grave Bradwell St Nicholas

Michael’s broers tijdens WO2

Alle drie de broers van Michael dienden ook in WW2 en overleefden het.

Zijn oudste broer, David Winter Child Bellamy (Servicenummer 1471332) had een uitstekende staat van dienst en was actief van het begin tot het einde van de oorlog. Hij sloot zich mogelijk al in 1938 aan bij het 74 Field Regiment Royal Artillery. Hij diende in het Midden-Oosten (Egypte/Libië) en in september 1942 was hij Battery Quarter Master Sergeant en Acting Warrant Officer Class II (Regimental Quarter Master Sergeant). In de London Gazette van 24 september 1942 werd aangekondigd dat hem de Military Medal for Gallant and Distinguished Service was toegekend. De aanbeveling voor deze medaille luidt als volgt:

“Op 28 juni 1942 ten zuidoosten van Mersa Matruh startte een motortransportcolonne bij het vallen van de avond om door de Duitse stelling te breken die het gebied omsingelde. Kort na de start, toen de leidinggevende officier niet terugkeerde van een verkenning, nam RQMS Bellamy het commando over en met zijn persoonlijke moed en vindingrijkheid slaagde hij erin het grootste deel van de colonne in veiligheid te brengen. Toen hem door gewapende leden van het Rode Kruis van de Nazi’s werd bevolen zich over te geven, weigerde RQMS Bellamy zich aan hen te onderwerpen als niet-strijders en leidde de colonne verder op hun route. Bij meer dan één gelegenheid, toen de colonne door A/tk geweren en machinegeweren werd beschoten, ging RQMS Bellamy alleen verder om een weg door de vijandelijke positie te vinden en weigerde om iemand hem te laten vergezellen. Hij slaagde er uiteindelijk in zich los te maken van de vijandelijke stellingen en leidde zijn colonne door de woestijn naar hun eigen linies. Het was geheel te danken aan zijn leiderschap en het uitstekende voorbeeld dat hij gaf door zijn dapperheid en vastberadenheid dat zijn mannen, voertuigen en voorraden van gevangenneming werden gered.”

Op 3 januari 1943 werd hij bevorderd tot 2e Luitenant. In augustus 1944 diende hij in Frankrijk en hij diende nog steeds bij zijn regiment in Noord-Duitsland totdat hij in november 1945 werd ontslagen.

Volgens zijn soldijboekje ging Peter in 1943 bij het Middlesex Regiment na een paar verwondingen en ontsnappingen op het nippertje tijdens politiewerk bij bombardementen in Londen. Hij werd op een OCTU-cursus gestuurd en verhuisde van de ene kazerne naar de andere. Hij zou met het regiment naar India gaan, maar bij een medische controle vóór inscheping bleek dat hij een ernstige hartruis had. Dit moet veroorzaakt zijn door een aanval van reumatische koorts toen hij niet op school zat en heeft waarschijnlijk zijn leven gered. Veel van zijn vrienden overleefden de oorlog niet.

John Roger Bellamy studeerde nog wiskunde in Cambridge toen de oorlog dreigde. In 1941 was hij korporaal bij het Royal Corps of Signals en gelegerd in Catterick in North Yorkshire. Later diende hij in Italië. Zijn nicht, Margaret, herinnert zich dat hij haar in een brief vertelde dat hij zich schuldig voelde omdat hij het zo makkelijk had gehad in vergelijking met zijn broers.

De familie na de oorlog

Michael’s vader, Ernest Charles Bellamy, stierf op 6 juli 1956, 76 jaar oud. Hij woonde op 23 Addison Road Gorleston Great Yarmouth. Zijn vrouw en zoon, David Winter Child Bellamy, beheerden zijn nalatenschap. David stond te boek als slager, waarmee hij de familietraditie voortzette. Michael’s moeder, Ethel Mary Bellamy, stierf het jaar daarop.

Michael’s zus Betty Wood aanbad haar broers, vooral David die maar een jaar jonger was. Ze studeerde Engels aan het Royal Holloway College in Londen en gaf drie jaar les aan de Hereford High School voordat ze met Rudy Wood trouwde en dochters Margaret en Caroline kreeg. Ze ontmoetten elkaar als leden van een amateurtoneelvereniging. Betty (onder haar eigen naam Margaret) werd later succesvol schrijfster van One Act Plays, waarvan sommige nog steeds worden gedrukt en opgevoerd. Het duurde even voordat Rudy door Ethel werd geaccepteerd. Hij had een Yorkshire accent en een nogal afwijkende politieke mening! Maar uiteindelijk wist hij zijn schoonmoeder voor zich te winnen. Na een gelukkig huwelijk van meer dan 50 jaar stierf Rudy in 1988 en Betty was 91 toen ze zelf stierf in 2001. Hun dochter Caroline stierf in 2023.

David Winter Child Bellamy trouwde in 1945 met Edith M Hall in Suffolk en kreeg twee kinderen: David Christopher M (1948) en Timothy J (1952). Als jongens hadden hij, Peter en John allemaal geholpen in de slagerij in King Street en er werd aangenomen dat hij als oudste zoon het bedrijf zou erven, wat hij ook deed, hoewel hij veel liever naar de universiteit was gegaan. Uiteindelijk verkocht hij de zaak in 1964, na een leven lang in de zaak te hebben gezeten, en ging hij Geschiedenis studeren aan de East Anglia University en genoot hij van een carrière in het onderwijs. Net als zijn vader had David een sterk plichtsgevoel en hij en Edith hielden minstens één excentrieke oude vrijster in de familie in de gaten, evenals Eleanor, Ethels ongetrouwde zus, een lieve en rustige dame. Hij had een droog gevoel voor humor. Ze waren toegewijde ouders en grootouders en waren erg gastvrij. Toen Edith uiteindelijk aan dementie bezweek, verzorgde hij haar thuis tot aan haar dood. Hij was een lieve man en toen hij het einde naderde, verzorgde zijn oudste zoon Christopher hem met dezelfde toewijding. David Winter Child Bellamy stierf in 2008, 97 jaar oud. Helaas stierf Christopher zelf in 2021.

Peter Bellamy trouwde op 19 april 1941 met Hilda Gibson Scott in Seaham Harbour in County Durham. Zijn broer, korporaal John Bellamy van het Royal Corps of Signals was de getuige. Ze kregen twee kinderen: Susan B (1943) in Suffolk en Michael C (1945) in Durham. In 1945 werd Peter gedetacheerd bij de Controlecommissie in Duitsland met de rang van kapitein. Hij kwam op 11 augustus 1945 aan in Hamburg en was ontzet over de verwoestingen. Hij vond het uitputtende werk de moeite waard omdat het gebruik maakte van zijn politie-ervaring. 

Kapitein Ernest Peter Bellamy van de Special Investigation Branch in Hamburg verscheen in april 1947 in de kranten als getuige tegen Theodore Reid Hartwick, een in Canada geboren Control Commission officier uit Egham Surrey, die zes maanden gevangenisstraf kreeg en een boete van £1000 omdat hij sigaretten die aan ontheemden waren toegewezen, had gebruikt om bontjassen, sieraden, kleding en camera’s voor de zwarte markt te kopen. Tijdens zijn detachering in Hamburg ontmoette Peter zijn broer David verschillende keren. Peter werd vervolgens naar Berlijn gestuurd waar hij gezelschap kreeg van Hilda en de twee kinderen. Hoewel Peter op 7 november 1947 werd vrijgesteld van actieve militaire dienst, bleef het gezin tot juni 1948 in Berlijn. Ze ontsnapten in het laatste konvooi aan de Russische blokkade van Berlijn. Ze brachten enige tijd door in Bünde, Nordrhein-Westfalen, voordat ze later dat jaar terugkeerden naar Engeland. Na zijn terugkeer ging Peter terug naar de Met, waar hij vele jaren in dienst was. Hij bereikte de rang van commandant voordat hij werd overgeplaatst naar het toenmalige Birmingham City police (later West Midlands) als Assistant Chief Constable. Hij en Hilda woonden 25 gelukkige jaren in Hackman’s Gate bij Birmingham voordat ze in 1998 naar Clevedon verhuisden om dicht bij dochter Susan te zijn. Hij en Hilda stierven binnen 3 maanden na elkaar in een verpleeghuis in Clevedon in 2003. Hun as ligt op het St Andrew’s kerkhof, net boven Poet’s Walk, met een prachtig uitzicht over het Bristol Channel naar Wales.

John Roger Bellamy ontmoette een lieve Canadese weduwe, Zoe, met wie hij trouwde. Hij realiseerde zich dat het leven in Canada betere kansen en een veel aantrekkelijkere levensstandaard zou bieden, dus emigreerden ze en bleven daar de rest van hun leven wonen. Ze kregen drie kinderen: David, Douglas en Katherine. Zijn moeder was hier niet blij mee, maar John en Zoe bezochten hen verschillende keren en het contact werd nooit verbroken. Hij was een goede correspondent, met een onderhoudend en scherpzinnig gevoel voor humor.

Michael Bellamy met broer David and moeder Ethel
Michael Bellamy met broer David and moeder Ethel
Michael als jong kind
Michael als jong kind
Michael Bellamy portret
Michael Bellamy portret
Michael Bellamy artikel
Michael Bellamy artikel

Bronnen en credits

FindMyPast website: Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1939; kiezerslijsten; militaire registers; Brits krantenarchief.
Yarmouth Independent: 08 december 1917, 01 mei 1937  

Companies House Information on Company Directors
Wikipedia: King’s Own Shropshire Light Infantry
King’s Own Shropshire Light Infantry War Diary from Traces of War website
2nd Battalion KSLI 1944-45 D-Day Normandy North West Europe by Major G.L.Y. Radcliffe with Capt. R. Sale
Monty’s Iron Sides: From the Normandy Beaches to Bremen with the 3rd Division Paperback by Patrick Delaforce
National Archives Ref WO 373/21/204: Recommendation for Award for Bellamy, David Winter Child. Rank: Acting Warrant Officer Class 2.
Sunderland Echo and Shipping Gazette: 19 April 1941
Daily Mail: 23 April 1947

Hulp, familie-informatie en foto’s van Margaret, Rob en Katy Bircher (de dochter van zijn zus Betty en haar kinderen); Catherine Bellamy (de schoondochter van zijn broer David) en Susan Hibberd (de dochter van zijn broer Peter) – inclusief informatie uit David Bellamy’s gedetailleerde memoires “Command of a Sergeant”, John Bellamy’s boekjes over familiegeschiedenis voor zijn Canadese kinderen en Peter Bellamy’s dagboeken en andere documenten.

Research Sue Reynolds, Elaine Gathercole

volg ons op

e-mail: overloonwarchronicles@gmail.com
correspondentieadres:
Holthesedijk 2 a, 5825JG Overloon

Kvk nummer: 83346422
Banknummer: NL04 RBRB 8835 3869 69
t.n.v. Stichting Overloon War Chronicles
BIC / SWIFT code  RBRBNL21

©2021 Overloon War Chronicles