Andrews | John
- Voornamen
John
- Leeftijd
24
- Geboortedatum
04-01-1920
- Datum overlijden
08-11-1944
- Servicenummer
3959646
- Rang
Private
- Regiment
Royal Warwickshire Regiment, 2nd Bn.
- Grafnummer
III. D. 10.
Biografie
John Andrews kwam om het leven door een tragisch motorongeluk op 8 november 1944 in Stevensbeek. Hij was toen 24 jaar oud. Hij was Private bij het Royal Warwickshire Regiment, 2nd Bn (servicenummer 3959646). Hij werd aanvankelijk begraven bij het “Maria Regina” Klooster in Stevensbeek en op 27 mei 1947 bijgezet in graf III.D.10. op de CWGC Begraafplaats Overloon. De inscriptie op zijn graf luidt: “Deep in our hearts, your memory we keep. Longed for always. Brothers and sisters.”
Familieachtergrond
John Andrews (door familie Jacky genoemd) werd geboren op 4 januari 1920 om 22.00 uur in 98 Tramway, Hirwaun, Aberdare, als zoon van David Andrews en zijn vrouw Lydia, geboren Drew. Hij was de oudste van een tweeling en het zevende van tien kinderen. Zijn broers en zussen waren:
- Margaret, geboren op 12 december 1908 in Mardy
- Elizabeth Jane, geboren op 6 juni 1910 in Mardy, overleden op 28 april 1988 in het district Merthyr Tydfil
- Harriet, geboren op 1 juni 1912 in Glyneath
- William David, geboren op 7 januari 1914 eveneens in Glyneath, overleden op 5 augustus 1972
- Martha Maud, geboren op 25 maart 1915 in Hirwaun, overleden in 1996 in het district Pontypridd
- Eva Mary, geboren op 12 september 1917 in Hirwaun
- Evan (Johns tweelingbroer) geboren op 4 april 1920 om 22.10 uur, overleden op 8 april 1920 in 98 Tramway, Hirwaun
- Catherine C. geboren in 1921 in Hirwaun
- Evan R. geboren in 1923 in Hirwan, overleden in 1994 in het district Pontypridd
David Andrews was in 1871 geboren in Aberystwyth, Cardiganshire, maar verhuisde naar de omgeving van Hirwaun, waar hij Lydia Drew ontmoette en op 12 maart 1908 in het district Merthyr Tydfil met haar trouwde. Lydia’s familie kwam uit Calne, Wiltshire.
Johns moeder, Lydia, was de oudste van vijf kinderen van William Drew (geboren in Hirwaun in 1861 en overleden in Hirwaun in 1916) en Mary E. Thomas, ook bekend als Margaret (geboren in 1863 in Cwmaman en overleden vóór 1901 in Hirwaun).
Bij de volkstelling van 1911 woonde het gezin in Glyneath, waar David ondergronds vrachtvervoerder was in een lokale kolenmijn.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft Johns vader David gediend in het Army Service Corps (regiment/nummer 106780).
Tegen de tijd dat John en zijn tweelingbroer Evan werden geboren, was het gezin teruggekeerd naar Hirwaun en woonde het op Tramway 98 in Hirwaun, een klein dorpje ten noorden van Aberdare. Een deel van Tramway bestaat nog steeds, hoewel veel van de oude huizen zijn vervangen door moderne woningen. In het register van 1939 woonde Johns vader, die inmiddels weduwnaar was geworden nadat Lydia in 1931 was overleden, op Tramway 95 met Johns jongere broer Evan. Helaas overleed Johns vader in 1940. Veel leden van de familie Drew woonden in de buurt.
Militaire carriëre
John meldde zich al voor de oorlog aan bij het leger en diende 7 jaar in India, waarvan 2 jaar in Burma. In mei 1944 komt hij terug uit India voor verlof en wordt hij groots onthaald in zijn woonplaats waar hij heel populair en gerespecteerd is.
Met het Royal Warwickshire Regiment 2nd Bn. wordt hij overgeplaatst naar de 3e infanteriedivisie waarmee het regiment op D-Day, 6 juni 1944 landde als onderdeel van de openingsaanval op de stranden van Normandië. Het bataljon vocht tijdens de hele slag om Caen en de doorbraak uit Normandië, door Noord-Frankrijk naar België en Nederland.
Na het falen om de brug bij Arnhem in te nemen in Operatie Market Garden eind september 1944, bleven de Geallieerden achter in een zeer precaire smalle salient door Nederland.
Het bataljon was Nederland binnengekomen bij Asten op 22 september 1944. Dit is ten oosten van Eindhoven. Op 1 oktober trokken ze in een regenbui noordoostwaarts naar Malden, dat tussen Nijmegen en de Maas ligt. Het doel van Operatie Aintree was om de salient te verbreden door vanuit Nijmegen naar het zuiden te trekken om Overloon en vervolgens Venray in te nemen en uiteindelijk een Duits bruggenhoofd aan de Maas bij Venlo uit te schakelen.
Aanvankelijk zou de Amerikaanse 7de Pantserdivisie deze taak op zich nemen, terwijl Britse strijdkrachten, waaronder de 3de Divisie, oostwaarts zouden trekken, over de Duitse grens, en het bosgebied bekend als het Reichswald zouden veroveren, van waaruit de Duitsers tegenaanvallen hadden gelanceerd.
Op 9 oktober veranderde het plan echter. Een poging van de Amerikaanse 7de Pantserdivisie om Overloon en Venray in te nemen had veel mannen en tanks verloren zonder veel vooruitgang te boeken. Veldmaarschalk Montgomery besloot dat hij de aanval op Reichswald moest uitstellen. Hij moest de Scheldemonding vrijmaken om de broodnodige havenfaciliteiten van Antwerpen te openen en de kleinere, maar ook essentiële taak om de Duitse troepen ten westen van de Maas uit te schakelen. Dit laatste doel werd toevertrouwd aan 8 Corps, inclusief de 3de Divisie. De 3de Divisie moest aanvallen in zuidoostelijke richting naar Venray, in de hoop vijandelijke troepen af te leiden terwijl drie andere divisies zich voorbereidden om oostwaarts naar Venlo op te rukken.
Sgt. George W A Davis gaf later een levendige beschrijving van de omstandigheden die zouden komen: “De laatste goede, lange slaap die we hadden was ongeveer op 10 of 11 oktober. Onze kleren waren smerig, we waren bijna uitgeput door gebrek aan voedsel en slaap. Het was erg koud en het regende en sneeuwde de hele tijd, dus we waren allemaal nat. Er waren overal granaten, mortierbommen, machinebeschietingen, Moaning Minnies, raketten en Duitse sluipschutters.”
Overloon werd op 12 oktober door andere Bataljons ingenomen. Van 13 tot 18 oktober was het bataljon samen met andere regimenten betrokken bij het vrijmaken van bossen rond Overloon van de vijand en vervolgens bij de verovering van Venray. Hiervoor moest de Molenbeek worden overgestoken die een groot obstakel vormde voor zowel tanks als infanterie. Het bataljon bereikte zijn doelen met succes maar leed zware verliezen met 14 gesneuvelden, 90 gewonden en 3 vermisten.
Op 19 oktober werd het bataljon afgelost en keerde terug naar Overloon waar ze bleven voor een rustperiode tot 25 oktober. Het leven daar was niet erg comfortabel omdat het dorp zwaar beschadigd was door de strijd om de bevrijding. Een schrijver beschreef het als “meelijwekkend gehavend… dakpannen lagen van de daken van de huisjes; rafelige granaatgaten in de muren van de huizen lieten een uitzicht zien op een kruisbeeld, een pluchen fauteuil of misschien een portret van Wilhelmina.”
Een speciale dagorder werd op 21 oktober uitgegeven door het 8 korpscommando en luidde als volgt:- “Ik wil jullie allemaal feliciteren met de uitstekende prestaties die jullie hebben geleverd tijdens de recente operaties tegen Venray. Jullie hebben allemaal jullie aandeel gehad in dit succes, maar ik moet in het bijzonder 185 Inf BDE feliciteren met de magnifieke prestatie van het overbruggen van de beek ten noorden van Venray met alle elementen tegen hen. In deze gevechten hebben jullie vastberadenheid en doorzettingsvermogen getoond en hebben jullie de overtuiging gekregen dat jullie beter zijn dan de vijand. Het is waarschijnlijk de eerste actie van een groot aantal van jullie en ik heb het gevoel dat jullie een geweldige start hebben gemaakt en daardoor mijn volledige vertrouwen hebben gekregen.”
Op 26 oktober nam het bataljon het over van de South Lancashires in Venray. Een belangrijke taak in de komende dagen was het evacueren van het zeer grote aantal burgers dat nog in de stad aanwezig was. De Duitsers hadden de weg ten oosten van Venray naar Oostrum nog steeds in handen, dus er bleven beschietingen komen. Het bataljon bleef de eerste helft van november in Venray en hield deze linie in handen. De accommodatie was goed en bijna alle rangen konden in kelders wonen. Er werd in deze tijd praktisch geen contact gemaakt met de vijand aan het front van het bataljon zodat een zekere ontspanning mogelijk was. Bezoeken aan bioscopen en theaters gingen regelmatig door zoals ook de toewijzingen voor diverse clubs en verlof naar Brussel. Dit ogenschijnlijk rustige en veilige bestaan werd niettemin verstoord door Duitse mortier- en granaatvuur, dat elke dag toenam en tegen het einde van de periode op sommige plaatsen zeer hevig was.
Het was tijdens deze periode dat John Andrews op 8 november 1944 om het leven kwam door een motorongeluk. Hij was op die dag als koerier aan het werk en op een slecht stuk weg kwam hij in botsing met een ander voertuig. Hij was op slag dood en bleef gespaard van lichamelijk lijden.
Zijn commandant A.R. Allen schreef o.a. aan zijn familie:
“Hij was tot aan zijn dood lid van mijn peloton en ik had me geen betrouwbaarder en vrolijker soldaat kunnen wensen. Hij vergezelde me bij verschillende zware opdrachten en bewees op vele manieren zijn waarde. Het was dan ook een grote schok voor zijn pelotonskameraden en voor mijzelf toen we hoorden van het ongeluk.”
Het werd begraven in een veldgraf bij het “Maria Regina” Klooster in Stevensbeek en op 27 mei 1947 bijgezet in graf III.D.10. op de CWGC Begraafplaats Overloon.
Bronnen en credits
Bevolkingsregister data, Britse militaire info en stambomen uit Ancestry
FreeBMD diverse bevolkingsregister info
War Diaries Royal Warwickshire Regiment 2nd Bn
Artikel uit The Aberdare Leader december 1944
Lisa Astley, achternicht van John Andrews
Deze biografie is samengesteld door onze stichting, op basis van eigen onderzoek en verhalen van andere militairen die dienden in hetzelfde regiment of deelnamen aan dezelfde strijd. Hierbij is deels gebruikgemaakt van collectief werk binnen de stichting.
Research Jane Hope, Anny Huberts