Cannings | Frances Charles
- Voornamen
Frances Charles
- Leeftijd
20
- Geboortedatum
20-10-1924
- Datum overlijden
05-10-1944
- Servicenummer
5193748
- Rang
Private
- Regiment
Lincolnshire Regiment, 2nd Bn.
- Grafnummer
I. D. 2.
Biografie
Francis Charles Cannings sneuvelde in de strijd op 5 oktober 1944 in de omgeving van Overloon. Hij was toen 20 jaar oud. Hij was soldaat in het 2e Bataljon van het Lincolnshire Regiment (dienstnr. 5193748). Hij werd aanvankelijk begraven op het Dorpsplein, Haps en op 18 juli 1946 bijgezet in graf I.D.2 op de CWGC begraafplaats Overloon. De inscriptie op zijn graf luidt “Je leeft altijd in onze herinnering, geliefde zoon en broer”.
Familie van Francis
Francis (of Frank zoals hij ook wel genoemd werd) was de zoon van Edward Charles en Ethel Mary Cannings uit Axminster, Devon.
Edward Charles Cannings (bekend als Charles) was in 1922 in Axminster getrouwd met Ethel Mary Critchell. Ze kregen twee kinderen: Francis Charles op 20/10/1923 en Michael E op 20/6/1926.
In september 1939 woonden Charles en Ethel op 115 Whitstone Road, Shepton Mallet, Somerset. Charles was een inspecteur van de spoorwegen. Hun zoon Michael was er wel, maar Frank niet. Ethels 7 jaar oude neefje James Lawrie (geboren 13/10/1931) was er ook.
In september 1939 woonde Frank bij zijn oom en zijn vrouw, Herbert (bekend als Jack) en Nora Cannings, op Third Avenue 35, Denville, Havant, Hampshire. Jack was een slagersmanager en Frank werkte als slagersleerling.
Vreemd genoeg werd Franks geboortedatum in 1939 vermeld als 20 oktober 1922 in plaats van 1923. Dit kan een simpele vergissing zijn geweest – maar het zou ook verband kunnen houden met een familieverhaal waarin wordt verteld dat Frank probeerde in dienst te treden terwijl hij nog minderjarig was, maar werd herkend en naar huis werd gestuurd. Een zekere Francis Charles Cannings met dienstnummer 1827728 probeerde inderdaad in 1941 bij de Royal Artillery in dienst te treden, maar er is een vermelding dat dit op 12 augustus 1941 werd geannuleerd. Uiteindelijk meldde hij zich op 9 februari 1942 aan. Het grootste deel van de familie werkte bij de spoorwegen en behoorde dus tot de gereserveerde beroepen. Als slagersleerling viel hij niet onder deze bescherming, maar hij was vastbesloten om dienst te nemen, wat zijn vader er ook van vond of zei.
Helaas sneuvelde hij op 5 oktober 1944 in de strijd.
De Shepton Mallet Journal van 27 oktober 1944 maakte zijn overlijden als volgt bekend, waarbij meer details over zijn leven vóór de oorlog werden gegeven, hoewel er enkele onjuistheden in stonden, zoals het land waar hij overleed:
“Erelijst – De vele vrienden van de heer en mevrouw E.C. Cannings hebben met diepe droefheid kennisgenomen van het verlies dat zij hebben geleden door het overlijden in Frankrijk op 5 oktober 1944 van hun zoon Frank, op 20-jarige leeftijd, en er is hun veel medeleven betuigd. De heer en mevrouw Cannings woonden vele jaren op Whitstone Road 115 in Shepton Mallet. De heer Cannings was zo’n 11 jaar lang inspecteur van het spoorwegtraject bij de S. and D. Railway in dit district. Onlangs werd hij overgeplaatst naar Tavistock om daar een soortgelijke functie te bekleden. Zijn zoon Frank was een bekend figuur in de stad; hij begon hier zijn opleiding en ging vervolgens naar de Wells Blue School. Later vertrok hij naar Portsmouth om samen met zijn oom zaken te doen, en daarna naar Frome, vanwaar hij zich als vrijwilliger bij het leger aanmeldde en met het Lincolnshire Regiment naar Frankrijk vertrok.”
Francis’ broer, Michael E Cannings trouwde in 1950 met Joan Selway in Bristol. Ze kregen twee kinderen, Paula J Cannings in 1955 en Heather M Cannings in 1958, allebei geboren in Bristol.
Charles Cannings overleed in 1979 in Axminster en Ethel in 1983 in de buurt van Bristol.
Michael E Cannings overleed in 1981 in Bristol.

Militaire carriere
Frank Charles Cannings meldde zich aanvankelijk op 9 februari 1942 in Bath aan bij het leger. Hij gaf aan 18 jaar oud te zijn en verklaarde dat hij op 20 oktober 1923 in Axminster in Devon was geboren. Hij werd beschreven als 5ft 8 ¾ in lang en woog 154 lbs. Hij had een frisse teint, bruine ogen en bruin haar. Hij had gewerkt als slagershulp. Als godsdienst gaf hij de Church of England op. Hij had opleidingsniveau C en werd geschikt verklaard voor dienstklasse 1. Hij gaf als adres 115 Whitstone Road, Shepton Mallet, Somerset op. Hij noemde zijn vader, Edward Charles Cannings, met hetzelfde adres, als zijn naaste familielid, hoewel dit later werd gewijzigd in 8 The Nook, Brooklands, Tavistock, Devon.
Frank werd op 9 februari 1942 als soldaat ingedeeld bij het 15e Infanterie-opleidingscentrum van het 70ste Bataljon van het Gloucestershire Regiment in de kazerne in Gloucester, maar hij werd onmiddellijk toegewezen aan de reserves en pas enkele weken later, op 26 februari 1942, daadwerkelijk bij zijn eenheid ingedeeld.
Op 12 augustus 1942 werd hij overgeplaatst naar het 70ste Bataljon van het Northamptonshire Regiment. Op 16 november 1942 kreeg hij de rang van onbezoldigde waarnemend korporaal. Op 31 december 1942 werd hij definitief ingedeeld bij het 1e Infanterie-opleidingscentrum en aangesteld als instructeur bij de vaste staf van de 51e Primary Training Wing. Op 28 januari 1943 kreeg hij de functie van betaalde korporaal. Op 22 maart 1943 hield zijn dienstverband bij de vaste staf van de 51e PTW echter op en keerde hij terug naar de rang van soldaat.
Op 12 april 1943 werd hij overgeplaatst naar het 4e Bataljon van de Northamptonshires. Op 20 september 1943 kreeg hij 14 dagen kazernearrest. Hij was tijdens de training in het donker betrapt op roken en lijkt hier slecht op te hebben gereageerd, aangezien hij ook werd beschuldigd van het gebruik van obscene taal tegenover een onderofficier en het weigeren om een bevel van een onderofficier op te volgen.
Op 14 juli 1944 werd hij ingedeeld bij de 42e Reinforcement Holding Unit en op 18 juli 1944 arriveerde hij in Normandië. Vervolgens werd hij op 20 juli 1944 ingedeeld bij de 33e RHU en daarna, op 23 juli 1944, overgeplaatst naar het 2e Bataljon van het Lincolnshire Regiment.
Dit bataljon had in juni 1944 deelgenomen aan de D-Day-landingen en was vervolgens betrokken bij Operatie Charnwood en Operatie Goodwood, die deel uitmaakten van de Slag om Caen. Het bataljon had zware verliezen geleden. Na Operatie Goodwood werden ze op 22 juli afgelost door de South Lancashires en de dag daarna voegde Frank zich bij hen. Op 25 juli waren ze weer op patrouille en bleven ze betrokken bij de campagne in Normandië. Halverwege augustus konden ze zich concentreren op de training voor de volgende fase van de oorlog en genoten ze een periode van rust en ontspanning.
Ze bleven tot 15 september in Normandië. Daarna namen ze deel aan de opmars door België en Nederland met als doel de luchtlandingstroepen te ondersteunen die betrokken waren bij Operatie Market Garden die uiteindelijk niet volledig slaagde na het mislukken van de inname van de brug bij Arnhem eind september.
Op 16 en 17 september trok het bataljon België binnen in de buurt van Mons. Ze ontdekten dat de burgerbevolking erg enthousiast was, vooral in het gebied van de Belgische grens. Ze deden toen mee aan de poging het Scheldekanaal over te steken waar alle bruggen door de vijand waren opgeblazen. Ze slaagden samen met andere regimenten in deze moeilijke taak ondanks de tegenstand en op 19 september was er een brug klaar. Het bataljon trok op 20 september verder naar Achel waar alle rangen onder dekking konden slapen en de volgende dag naar Hamont waar ze tot 25 september bleven terwijl de 11 Pantserdivisie Deurne in Nederland innam. Het bataljon trok die dag naar Deurne en nam het over van de 11 Pantserdivisie met het 2e bataljon Royal Ulster Rifles. Ze bleven in dit gebied en raakten soms in gevecht met de vijand die zich aan de oostkant van een kanaal bevond. Op 29 september trokken ze noordwaarts naar Milheeze en vervolgens op 1 oktober naar Haps. Eén compagnie trok de volgende dag oostwaarts naar Oeffelt met als doel het gebied ten westen van de Maas vrij te maken van kleine vijandelijke groepen. Het bataljon bevond zich nu binnen 6 kilometer van de Duitse grens. Andere compagnieën waren de volgende dagen om beurten in Oeffelt. In de nacht van 4 op 5 oktober hoorden patrouilles van de voorste compagnieën bewegingen van motortransporten ten oosten van de rivier. Een patrouille van de “A”-compagnie kwam in contact met de vijand die de rivier was overgestoken. De vijand werd aangevallen en twee militairen geraakt. De patrouille leed echter twee slachtoffers – 1 gewone rang gedood en 1 gewond. De man die gedood werd was vermoedelijk Francis Charles Cannings.
Hij had in totaal 2 jaar en 240 dagen gediend. Hij ontving de volgende onderscheidingen: de 1939/45 Star, de France & Germany Star en de War Medal 1939/45
Zijn persoonlijke bezittingen werden op 5 maart 1945 naar zijn moeder, mevrouw E.M. Cannings, gestuurd, op het adres 8 The Nook, Brooklands, Tavistock, Devon. Ze bestonden uit brieven, een pen, een bril, een sigarettenkoker, zijn identiteitsplaatje, petembleem en enkele foto’s.
Hij werd begraven op het dorpsplein in Haps. In oktober 1944 werden daar ook drie andere Britse soldaten begraven. Het waren zijn kameraden Wilfred Rigby en Warren James Harris, beiden van het 2e Bataljon Lincolnshire Regiment, en Jack Arthur Maddock Longhurst van het 7e Hampshire Regiment. De graven van deze soldaten werden liefdevol onderhouden door de inwoners van het dorp Haps en er werden regelmatig bloemen neergelegd.
Alle vier werden ze op 18 juli 1946 naast elkaar herbegraven op de oorlogsbegraafplaats van Overloon.
Familie van Francis’ vader
Edward Charles Cannings was de zoon van Emanuel Edward Cannings en Anna Martin die in 1893 in het district Shaftsbury in Dorset waren getrouwd. Emanuel was geboren op 19/10/1865 in Gillingham, vlakbij Shaftsbury in Dorset terwijl Anna was geboren op 11/7/1869 in Stour Provost in Dorset dat net ten zuiden van Gillingham ligt. Ze kregen de volgende elf kinderen Margaret Alice 1894, Gertrude Anna 1895, (Edward) Charles 21/1/1897, Elsie May 1898, George Henry 1900, Frank 1902, Reginald 1903, Dorothy Ellen 1905 (bekend als Nell), Herbert John 1907 (bekend als Jack), Florence Mary 1910 (bekend als Gwen) en (Frederick) William 1911. Verschillende van hen gaven er de voorkeur aan om bij hun tweede naam genoemd te worden.
In 1901 woonde Anna Cannings in Shaftesbury Road, King’s Court Lane, Gillingham, hoewel Emanuel daar niet aanwezig was. Bij haar waren haar eerste vijf kinderen die daar allemaal geboren waren en ook haar weduwe-schoonvader, George Cannings, 68 jaar oud. George bleef tenminste tot 1921 bij hen wonen. Hun volgende vier kinderen werden geboren in Misterton dat tussen Yeovil en Axminster in Somerset ligt tussen 1902 en 1907, wat suggereert dat ze daar toen woonden. In 1911 woonden Emanuel en Anna op 10 Hillhead Terrace, Axminster, waar ze bleven wonen.
Emanuel was een spoorweginspecteur, in 1921 meer specifiek als een permanent weginspecteur voor London & South West Railways en ging in 1939 met pensioen. Hun eerste twee kinderen (Margaret Alice en Gertrude Anna) lijken het huis al in 1911 te hebben verlaten en trouwden allebei in 1919. De overige kinderen waren echter nog tot minstens 1921 bij hun ouders. Edward Charles werkte in 1911 als boodschapper, maar in 1921 was hij arbeider bij de L&SW Railway. In 1921 werkte Elsie als huishoudster (maar zonder werk); Frank werd beschreven als Soldier on Furlough; Reginald was een Porter bij de L&SW Railway en John was een Book Stall Lad voor Messrs W H Smith & Son op het station van Axminster.
In 1939 woonde alleen Nell Cannings nog met haar ouders op Hillhead Terrace. Bij hen woonde Frederick Ellis, geboren op 4/7/1907 en werkzaam als Creeler in de Carpet Factory – hij beheerde de rekken waar de spoelen garen in werden bewaard. Hij trouwde later dat jaar met Nell en ze woonden daar de rest van hun leven.
Anna Cannings overleed in 1948 en Emanuel E Cannings in 1953, beiden in Axminster.
De familie van Francis’ moeder
Ethel Mary Critchell was de dochter van Benjamin Richard Critchell en Agnes Laura Robbins die in 1893 in Dorchester, Dorset waren getrouwd. Benjamin was in 1871 geboren in Dorchester en Agnes in 1873 in Colyton, vlakbij Axmouth in Devon. Ze hadden twee kinderen: Edward Thomas op 29/4/1894 in Bridport, Dorset en Ethel Mary op 3/8/1896 in Fordington, Dorset. Uit een gevangenisregister blijkt echter dat er op 16 augustus 1901 een arrestatiebevel werd uitgevaardigd voor Benjamin Richard Critchell wegens verwaarlozing van zijn vrouw en kinderen. In dat jaar woonde Agnes met haar twee kinderen op 26, Alington Road, Dorchester. Er werd vermeld dat haar man machinist was, maar afwezig was.
In 1911 woonde Agnes in Willhayes Cottages, Axminster, Devon. Ze werd vermeld als weduwe. Er was een derde kind, Lavinia Irene Hyacinth Critchell, geboren in 1909 in Axminster, die bij de familie bekend stond als Irene. Agnes had ook een weduwnaar in huis genomen: George William Clarke, een 44-jarige cowboy geboren in Seaton in Devon. De zoon van Agnes, Edward, werkte als arbeider. Ten tijde van de geboorte van Irene werkte Agnes als kleermaakster.
Agnes trouwde voor de tweede keer in 1917 in Axminster. Haar man was William Barrell, geboren 24/12/1862. In 1939 woonden ze waarschijnlijk in Cadogan House 71, Chelsea, Londen. William werkte als Commercial Clerk. Ze overleed in 1948 in Wokingham, Berkshire.
In 1921 woonde Ethel in West Street, Axminster. Ze was een bediende in het huishouden van William Edwin Goldsmith Potter en zijn vrouw Kathleen. Hij was een woninginrichter en Kathleen en hun 21 jaar oude dochter Dorothy Banks waren assistenten in het bedrijf van Sulby Potter, woninginrichter.
Edward Thomas Critchell diende in het leger in WO1 van 1914 tot 1920. Hij schijnt aanvankelijk te hebben gediend als soldaat in het Welsh Regiment (nr. 38859), daarna als soldaat in het Labour Corps (nr. 361735) en daarna als korporaal in het Welsh Regiment Territorial Force (nr. 3947695). In een artikel in de Somerset County Herald en Taunton Courier van 08 juni 1946 stond echter dat Edward Thomas Critchell (52), tijdelijk postbode in 17 Chandos Street, Bridgewater een boete van £ 10 kreeg voor het stelen van postpakketten. Er werd verklaard dat alleen zijn goede karakter en zijn staat van dienst in het leger hem hadden behoed voor een gevangenisstraf. Zijn verdediging wees erop dat hij in beide wereldoorlogen had gediend en in 1942 als ongeschikt werd ontslagen, waarbij zijn papieren “zeer goed” luidden. Hij had grote huiselijke problemen gehad, was zwaar beproefd en wachtte op een ziekenhuisopname om een zware operatie te ondergaan. Er waren geen eerdere veroordelingen. Hij was zijn baan kwijtgeraakt en was voor geen enkel beroep gekwalificeerd. Edward trouwde in 1949 in Bridgewater met een weduwe, Hilda I Stockham. Hij stierf in 1974 in Taunton.
Irene Critchell trouwde met John Elder Lawrie en kreeg een zoon, James John Henry Lawrie op 13/10/1931 terwijl ze op 33 Queen Street Devonport woonde. John Elder Lawrie was onderofficier Steward bij de Royal Navy aan boord van HMS Charybdis. Hij werd geboren op 5/1/1904 in Leith in Schotland maar stierf in oorlogsdienst op 23/10/1943. Irene Lawrie overleed op 30/6/1993 in Plymouth. Haar adres was toen 182 Wolseley Road, North Prospect, Plymouth, Devon.
Bronnen en credits
Van FindMyPast website: Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1939; kiezerslijsten; militaire registers; gevangenisregisters.
Service Record Frank Charles Cannings van de National Archives Ref No. WO 423/508403
Oorlogsdagboeken van het Lincolnshire Regiment via de website van Oorlogssporen
Wikipedia – informatie over het Lincolnshire regiment
Shepton Mallet Journal van 27 October 1944, ontvangen van Jane Hope
Somerset County Herald en Taunton Courier van 08 juni 1946
Foto en hulp van Heather Rees-Williams (Frank’s nicht) en hulp van Paula Cannings (ook Frank’s nicht), Rob Lawrie (Ethel Cannings’ achterneef) en Jonathan en Lynda Cannings (Franks neef en vrouw) – en hun schoondochter Suzy Cannings.
Research Elaine Gathercole