Skip to main content

Murkin | Arthur Rueben

  • Voornamen

    Arthur Rueben

  • Leeftijd

    24

  • Geboortedatum

    09-09-1920

  • Datum overlijden

    13-02-1945

  • Servicenummer

    T/5827288

  • Rang

    Driver

  • Regiment

    Royal Army Service Corps

  • Grafnummer

    II. D. 1.

Arthur Rueben Murkin
Arthur Rueben Murkin
Graf Arthur Murkin
Graf Arthur Murkin

Biografie

Arthur Rueben Murkin (Service Number T/5827288) werd gedood in de omgeving van Boxmeer op 13 februari 1945; hij was chauffeur (Driver) bij het Royal Army Service Corps. Hij werd tijdelijk begraven in Sint Antonis op het terrein van  M. de Groot aan de Boxmeerseweg en werd op 21 Mei 1947 herbegraven in graf II.D.1 op CWGC Overloon War Cemetery in Overloon. 

Familie achtergrond

Arthur Rueben Murkin werd op 9 september 1920 geboren in Hargrave, Suffolk. 

Zijn ouders waren Jonah Murkin (1883-1957) geboren in Hargrave Suffolk, en Kate Louisa Nunn (1896-1950) geboren in Tinghoe, Suffolk. 

Jonah Murkin was in 1911 al vroeg weduwnaar na een moeilijk huwelijk waarna hij de alleenstaande zorg op zich nam voor zijn dochter Katherine (1908-2011). Hij werkte als knecht op een boerderij. 

In 1911 ging Jonah samen met Katherine van 2 jaar oud bij zijn ouders Charles en Susananah Murkin op Birds End in Hargrave wonen. Ook zijn broer Charles en een nichtje van 3 jaar woonden er. 

In maart 1920 trouwde Jonah met Kate Louisa Nunn en kreeg in de loop der jaren nog acht kinderen:

Arthur Rueben (1920-1945),  Raymond Victor (1922-2004), Oliver James (1924-2007), Anthony Edward (1927-1999), Maurice D. (1929), Peggy A. (1931), Allan Norman (1932-2001) and Lawrence F. G. (1935).

In 1921 woont Jonah nog steeds bij zijn ouders, samen met Kate Louisa, zijn dochtertje Katherine en zijn 2e kindje en zoon Arthur Rueben. 

Arthur groeide op met zijn broertjes en zusjes in Hargrave, werkte als ober en op zijn 18e verjaardag in 1938 verlaat hij zijn ouderlijk huis om te gaan dienen bij het Britse leger. 

Militaire carriere

Precies op de dag van zijn achttiende verjaardag, 9 september 1938, besloot Arthur zich in Londen aan te melden voor de militaire dienst. Hij deed dit bij het Central London Recruiting Depot aan Great Scotland Yard.
Tijdens de medische keuring werd de jonge rekruut omschreven als een gezonde jongen met een ‘frisse’ teint, bruine ogen en bruin haar. Hij had een lengte van ongeveer 1.70 meter, woog circa 66,7 kilo en had een markante moedervlek onder zijn rechter sleutelbeen. De medische officier verklaarde hem volledig goedgekeurd en geschikt voor actieve dienst. Als geloofsovertuiging gaf Arthur de Church of England op. Hij was op dat moment ongehuwd. Hij werd officieel ingelijfd als soldaat bij het depot van The Suffolk Regiment onder legernummer 5827288. Zijn vader, Jonah Murkin, werd daarbij officieel geregistreerd als zijn naaste verwant (Next-of-Kin). Na zijn basistraining werd Arthur op 15 december 1938 overgeplaatst naar het 1e Bataljon van het Suffolk Regiment.

Een onderdeel van de training was een schrijf- en leestest. Hij slaagde voor de test met een totale score van 33 punten (16 voor lezen, 17 voor dictee). De tekst van deze schrijftest was als volgt: 

“I am not sure that this kind of thing is good for all men at all times. That which may have seemed true in the past is often found to be wrong in these days. As the world grows older we must find new ways of life.”

“Ik weet niet zeker of dit soort dingen altijd en voor alle mannen goed is. Wat in het verleden misschien waar leek, blijkt tegenwoordig vaak onjuist te zijn. Naarmate de wereld ouder wordt, moeten we nieuwe manieren van leven vinden.”

Malta, de B.E.F. en het drama van Duinkerken (1939–1940)

Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Arthur voor het eerst overzee ingezet. Op 21 april 1939 scheepte hij in naar Malta, een strategisch cruciale Britse kolonie in de Middellandse Zee. Hij diende hier 65 dagen tot hij op 24 juni 1939 terugkeerde naar Engeland.

Toen de oorlog in september 1939 daadwerkelijk uitbrak, veranderde zijn situatie snel. Na kortstondig bij het Infantry Training Centre (I.T.C.) te zijn ondergebracht, werd hij op 25 november 1939 op een “X List” geplaatst en naar de inschepingshaven gestuurd. Op zo’n administratieve lijst werden de namen genoteerd van personeel dat in doorgangskampen of depots verbleven, in dit geval in afwachting van een uitzending. Hij vertrok als onderdeel van de British Expeditionary Force (B.E.F.) naar het Europese continent in Frankrijk om de Duitse opmars te stuiten. Voor deze zware operationele dienst in Frankrijk en België tussen oktober 1939 en mei 1940 werd later op zijn Staat van Dienst de 1939-1945 Star toegekend.

In het voorjaar van 1940 raakte het 1e Bataljon van het Suffolk Regiment verwikkeld in de hevige achterhoedegevechten, toen de geallieerden door de Duitse Blitzkrieg werden teruggedrongen richting de kust. Tijdens deze bittere strijd in België raakte Arthur Murkin gewond door vijandelijke actie: hij liep een ernstige borstverwonding op door granaatscherven. Desondanks wist hij de kust te bereiken en werd hij succesvol geëvacueerd vanuit de stranden van Duinkerken. Direct na zijn aankomst in Engeland werd hij op 1 juni 1940 met spoed opgenomen in het Sharoe Green Hospital in Preston. Op 4 juni 1940 werd er een officieel telegram naar zijn vader Jonah gestuurd om de familie in te lichten over zijn verwondingen.

Herstel en Kustverdediging (1940–1941)

Arthur verbleef bijna twee maanden in het ziekenhuis in Preston tot hij op 23 juli 1940 officieel werd ontslagen. Diezelfde dag werd hij overgeplaatst naar de zogenaamde “Y List” en direct doorgeplaatst naar het 50e Bataljon van het Suffolk Regiment. In dit geval zal dat een Y-list zijn geweest waarop namen stonden van militairen die hersteld waren na een langdurige ziekte of opname in een ziekenhuis. In oktober van dat jaar volgde een overplaatsing naar het 6e (Home Defence) Bataljon. Met deze eenheid werd hij vanaf 27 oktober 1940 gedetacheerd bij de Royal Air Force (R.A.F.) in Felixstowe, een belangrijke vliegbasis voor watervliegtuigen aan de oostkust van Engeland, waar hij hielp bij de bewaking en kustverdediging. Tijdens deze periode werd hij op 23 juli 1941 kortstondig voor twee dagen opgenomen in het medische Reception Station in Corsham, waarna hij op 25 juli 1941 weer werd ontslagen. 

Overstap naar het R.A.S.C. en een reeks overplaatsingen (1941–1943)

Op 17 december 1941 vond er een grote omschakeling plaats in zijn militaire loopbaan: hij werd officieel overgeplaatst van de infanterie naar het Royal Army Service Corps (R.A.S.C.). Binnen dit logistieke en transportkorps kreeg hij de rang van Driver (chauffeur) en werd zijn legernummer voorzien van de ‘T’ van Transport (T/5827288).

Vanaf dat moment volgde een intensieve periode waarin hij bij diverse gespecialiseerde transport- en artillerie-eenheden werd geplaatst:

  • 19 december 1941: geplaatst bij de 5th Guards Armoured Brigade Company, waar hij transportondersteuning bood aan een zware gepantserde brigade.
  • 27 april 1942: overgeplaatst naar de 914 Anti-Aircraft Company, die verantwoordelijk was voor de logistiek rondom luchtafweergeschut.
  • 28 april 1942: de volgende dag al doorgeplaatst naar de 95 Anti-Aircraft Company.
  • Februari 1943: geplaatst bij het 1e Mobilisation Centre, waarschijnlijk ter voorbereiding op een nieuwe operationele rol of herstructurering.
  • 10 augustus 1943: geplaatst bij de 635 Divisional Company. Deze eenheid werd later omgevormd tot de 635 Bulk Petrol Transport Company, gespecialiseerd in het grootschalige transport van brandstof voor de gemotoriseerde legeronderdelen.

Te midden van al deze overplaatsingen vond Arthur het geluk in de liefde. Op 11 december 1943 trad hij in het huwelijk met Myrtle Jane Rush in het Register Office in Greenwich, Londen. Vanaf dat moment werd zij zijn primaire naaste verwant (zijn Next of Kin). Myrtle woonde destijds in Hill Cottage in het dorpje Harkstead (nabij Ipswich, Suffolk).

Myrtle had  inmiddels in 1942 ook een dochtertje gekregen; Rosemary Ann Rush 1942-2000. Aangenomen wordt dat Rosemary Ann Arthur’s dochter is. 

Specialisatie en het Incident in de Voorbereiding op D-Day (1943–1944)

In november 1943 volgde een cruciale plaatsing die zijn definitieve operationele bestemming zou bepalen. Hij werd ingedeeld bij het 1653 Heavy Anti-Aircraft Regiment. Deze eenheid onderging in de aanloop naar de invasie diverse organisatorische wijzigingen en werd achtereenvolgens aangeduid als het 1653 Medium Regiment Platoon en uiteindelijk het 1653 Artillery Platoon RASC (Heavy). Dit peloton opereerde met zware voertuigen (zoals halftracks) en was verantwoordelijk voor de zware logistiek en bevoorrading van de artillerie binnen de 21 Army Group onder leiding van generaal Montgomery.

De druk in de maanden voorafgaand aan D-Day was enorm, en in deze periode ging het mis voor Arthur. Op 9 mei 1944 werd hij door zijn bevelvoerend officier schuldig bevonden aan het stelen van goederen van iemand die onder de militaire wet viel. Hij werd veroordeeld tot 21 dagen militaire detentie. Na zijn straf te hebben uitgezeten in de kazerne, werd hij op 12 juni 1944 weer op vrije voeten gesteld.

Uit medische documenten van 18 mei 1944 bleek dat hij, ondanks zijn oude Duinkerken-verwonding, nog altijd over de hoogste medische classificatie (A1) beschikte. Zijn tuchtzaak leidde achter de schermen echter tot een administratieve discussie. Op 15 juni 1944 merkte het RASC Records Office in Ore Place (Hastings) in een memo op dat de lokale commandant zijn boekje te buiten was gegaan door deze diefstalzaak zelfstandig en summier af te handelen volgens de King’s Regulations. Op 20 juli 1944 volgde het definitieve besluit van de Deputy Adjutant General van het hoofdkwartier van de 21 Army Group in Londen: men stemde ermee in dat de procedure onreglementair was verlopen, maar besloot de straf onder een speciale richtlijn toch te accepteren. De zaak werd gesloten.

De opmars in Noordwest-Europa (1944–1945)

Hierdoor kon Arthur bij zijn eenheid blijven voor de grote oversteek. Op 12 juli 1944 scheepte hij officieel in vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het Europese vasteland. Als onderdeel van de 21 Army Group trok zijn peloton in de zomer en herfst van 1944 achter de frontlinies aan door Frankrijk en België, om uiteindelijk in de winter te worden ingezet in Nederland ter ondersteuning van de geallieerde opmars richting Duitsland.

Binnen de Britse legerorganisatie verzorgde het Royal Army Service Corps (RASC) de logistieke ondersteuning van de gevechtseenheden. Specifieke pelotons werden hierbij direct gekoppeld aan individuele regimenten om te zorgen voor de aanvoer van munitie en voorraden. De naamswijziging in Arthurs dossier, van het 1653 Medium Regiment Platoon naar het latere 1653 Artillery Platoon, laat zien dat zijn eenheid primair verantwoordelijk was voor de bevoorrading van een middelzwaar artillerieregiment (Medium Regiment). Zijn militaire dossier maakt daarnaast duidelijk dat dit peloton als onderdeel van de Corps of Army Troops direct viel onder de ondersteuningsstructuur van de 21st Army Group, waardoor het flexibel over het hele front kon worden ingezet.

Dit gigantische Britse hoofdkwartier, opgericht in Londen in juli 1943 onder het bevel van het Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (SHAEF), had de leiding over de West-Europese invasie (Operatie Overlord). De 21st Army Group controleerde twee complete veldlegers, het Britse Tweede Leger en het Eerste Canadese Leger, en had op verschillende momenten ook Amerikaanse en Poolse legerkorpsen onder haar bevel. Vanaf de landing in juni 1944 tot het einde van de strijd in Europa opereerde deze legermacht in Noord-Frankrijk, Luxemburg, België, Nederland en Duitsland.

Na zijn inscheping en aankomst in Normandië in juli 1944 werd Arthur met zijn peloton direct in de vuurzee van de invasie geworpen. Gezien de inzet van de 21st Army Group in deze sector, is het nagenoeg zeker dat Arthur betrokken was bij de bloedige Operatie Goodwood, bedoeld om het zuidelijke en oostelijke deel van Caen te bevrijden en de weg vrij te maken voor een grote bepantserde uitbraak ten zuiden van de rivier de Orne. Ook Operatie Bluecoat en de daaropvolgende slopende omsingelingsgevechten in de Falaise Pocket zullen het decor gevormd hebben waarin Arthur destijds zijn vitale transporttaken uitvoerde.
Na de definitieve ineenstorting van het Duitse front in Frankrijk begon in de nazomer van 1944 een spectaculaire race naar het noorden. Deze bliksemsnelle geallieerde opmars zette de logistieke eenheden van het RASC onder maximale druk. De bevoorradingslijnen werden honderden kilometers lang. Vrachtwagens moesten dag en nacht non-stop rijden tussen de tijdelijke depots in Frankrijk en de snel rukkende voorhoede in België.

De Slag om de Modderwegen van Brabant

Snel na de bevrijding van Antwerpen en het verloop van Operatie Market Garden verschoof het zwaartepunt van de strijd. In de herfst en vroege winter van 1944 werden Noord-Limburg en Brabant het toneel van bittere, zware gevechten. De weersomstandigheden verslechterden in rap tempo; de Brabantse wegen veranderden door de aanhoudende regen en het zware militaire verkeer in diepe modderpoelen.

Juist in deze periode was de logistieke expertise en standvastigheid van het RASC van levensbelang. Gespecialiseerde brandstof- en transportcompagnieën (zoals de Bulk Petrol Transport en de Artillery Platoons) moesten er met hun zware voertuigen onder loodzware omstandigheden voor zorgen dat de infanterie- en artillerieregimenten konden blijven opereren in het drassige, koude winterlandschap. De manschappen van het RASC deelden exact dezelfde ontberingen als de tankbemanningen en de infanteristen aan het front. Ze trokken over dezelfde kapotgeschoten wegen door Normandië en België, ploeterden door dezelfde modder in Brabant, en stonden bloot aan dezelfde bittere winterse kou en verraderlijke vijandelijke artilleriebeschietingen.

In de herfst- en wintermaanden van oktober 1944 tot en met februari 1945 was het 1653rd Artillery Platoon van het Royal Army Service Corps (RASC) ononderbroken in beweging om de geallieerde opmars in het zuiden van Nederland logistiek te ondersteunen. Het oorlogsdagboek beschrijft dat de chauffeurs (drivers) met hun zware vrachtwagens dag in dag uit door het door regen en oorlog geteisterde landschap reden tussen locaties als Heeze, Boekel, Eindhoven, Stiphout en Budel. Hun voornaamste taak was het tijdig en veilig bevoorraden van de middelzware artillerie — in het bijzonder het 61st en 63rd Medium Regiment van de Royal Artillery — en de eenheden van de 8th Army Group Royal Artillery (AGRA). Dit betekende vaak urenlange ritten in het kader van het zogenaamde 3rd line transport, waarbij munitie en essentiële voorraden direct vanaf de spoorhoofden naar de depots en oprukkende linies werden gebracht.

Het dagelijks leven van de chauffeurs werd gekenmerkt door zware fysieke omstandigheden, slechte en kapotgeschoten wegen en het voortdurende gevaar van de nabije frontlinie. Terwijl het peloton in het najaar meerdere keren verplaatst werd en tijdelijk onder bevel stond van onder meer de 11th Armoured Division, de 51 Highland Division en de 15th (Scottish) Infantry Division, vergde het onderhoud van de voertuigen en de zorgvuldige omgang met gevaarlijke munitie de uiterste concentratie. Zelfs de feestdagen brachten nauwelijks rust: Eerste Kerstdag 1944 brachten de mannen door met een gezamenlijk kerstdiner in een fabriek nabij Budel, waarna het nieuwe jaar begon met nog zwaardere omstandigheden. In februari werd het wagenpark versterkt en omgeruild voor terreinvaardige Ford WOT6-vrachtwagens om de modderige wegen in het grensgebied de baas te blijven.

Ondertussen werd er achter de schermen door het geallieerde opperbevel al koortsachtig gewerkt aan de logistieke en strategische voorbereidingen voor een gigantisch nieuw offensief: Operatie Veritable.

Operatie Veritable: De Aanval op het Reichswald

Gepositioneerd precies op het scharnierpunt waar het Britse Tweede Leger en het Canadese Eerste Leger elkaar ontmoetten, diende deze sector van het Maasfront als de vitale springplank en de beschermende flank voor de massale geallieerde opmars naar het Reichswald en het Rijnland. Operatie Veritable, gelanceerd op 8 februari 1945, was ontworpen om door de noordvleugel van de Siegfriedlinie te breken. Voor de manschappen die langs de westelijke oevers van de Maas in het Land van Cuijk gestationeerd waren, werd het offensief ervaren als een kolossaal, aardschokkend logistiek en artilleristisch spektakel. Dit netwerk van historische dorpen, waaronder Grave, Gassel, Beers, Vianen, Cuijk, Oeffelt en Boxmeer, werd in snel tempo getransformeerd tot een intensief verzamelgebied en een immense logistieke corridor.

  • Grave en Gassel: Verder stroomafwaarts diende de strategische brug bij Grave, eerder veroverd tijdens Operatie Market Garden, als de primaire noordelijke toegangspoort tot de regio. Door Grave en langs de velden van Gassel rolde een onophoudelijke colonne van tanks, munitievrachtwagens en gespecialiseerde amfibische voertuigen naar het zuiden, het hart van het Land van Cuijk in.

  • Beers en Vianen: Gelegen iets verder landinwaarts van de Maas, veranderde de landelijke omgeving van Beers en Vianen in enorme, modderige verzamelplaatsen. Elke boerderij, boomgaard en landweg werd benut om munitiedepots, brandstofopslagplaatsen en duizenden troepen te verbergen die wachtten op bevelen om naar het front te trekken.

  • Cuijk en Boxmeer: In Cuijk en verder naar het zuiden langs de rivieroevers in Boxmeer opereerden de troepen recht onder de ogen van de vijand aan de overkant van het water. In de ijskoude, regenachtige dageraad van 8 februari trilden deze plaatsen op hun grondvesten. Honderden zware kanonnen, opgesteld in de omliggende velden, ontketenden een ontzagwekkend spervuur. Hun aanhoudende gedreun galmde over het vlakke rivierenlandschap terwijl duizenden granaten overkoepelend naar de Duitse verdedigingslinies gierden.

  • Oeffelt: Gelegen aan de zuidpunt van deze sector werd Oeffelt het ultieme brandpunt van de lokale genie-inspanningen. De winter van 1944–1945 had de Maas veranderd in een kolkende stroom, en de enorme watervlakte van de overstroomde uiterwaarden tussen Oeffelt en Gennep geleek een binnenzee. Omdat de grond die door het Land van Cuijk liep iets steviger was dan het volledig ondergelopen terrein verder naar het noorden, leverden de Britse Royal Engineers hier een monumentale prestatie. Dwars door het overstromingswater en onder dekking van dichte rookgordijnen bouwden zij de langste drijvende Baileybrug van de oorlog.

Vrijwel van de ene op de andere dag werden de rustige landwegen die deze dorpssectoren verbonden de hoofdaders van het hele offensief. Bumper-aan-bumper convooien van infanterie, pantsers en bevoorradingscolonnes van het Royal Army Service Corps (RASC) verstopten de straten, haastend over de brug bij Oeffelt om de brute strijd te voeden die net over de Duitse grens woedde.

Het opereren in dit vitale verzamelgebied eiste echter een zware tol. De wegen die deze dorpen verbonden stonden onder constante dreiging van langeafstandsartillerie van de Duitsers vanaf de overkant van de rivier, evenals het alomtegenwoordige gevaar van verborgen mijnen.

Volgens het oorlogsdagboek van het 146th Medium Regiment van de Royal Artillery wat in hetzelfde gebied opereerde en betrokken was bij deze operatie, raakte het regiment op 12 februari snel door zijn munitie heen. Een paar dagen eerder op 8 februari was het operationele commando van dit regiment al veranderd van de 8th AGRA naar de 9th AGRA. Dit kritieke tekort aan munitie werd blijkbaar opgelost, of in ieder geval verlicht, toen het operationele commando over het regiment de volgende dag weer werd aangepast en werd overgedragen van de 9th AGRA aan de 3rd AGRA.

Het 1653 Artillery Platoon van Arthur, wat viel onder 116 Coy RASC (Arty) zal zij aan zij gevochten hebben met o.a. het 146th Medium Regiment RA en onder dezelfde omstandigheden de bevoorradingsproblemen ondervonden hebben. Het platoon opereerde onder dezelfde 8th AGRA (Army Group Royal Artillery) als het 146th Medium Regiment RA.

Op 13 februari 1945, toen de gevechten in het Reichswald een kookpunt bereikten, sloeg het noodlot toe in de Sambeekse Heide en Mullemseveld gelegen in het gebied tussen Sambeek en Vierlingsbeek. 

De levensgevaarlijke werkelijkheid van het bevoorradingswerk aan het front trof het peloton op 13 februari 1945 in volle hevigheid. Die ochtend waren de chauffeurs onderweg om munitie direct af te leveren bij de vuurposities van het 146th Medium Regiment RA. Tijdens deze missie kwam hun transport onder gericht vijandelijk granaatvuur te liggen. Driver Arthur Rueben Murkin kwam hierbij om het leven. Ook driver G.H. Saxton van hetzelfde platoon en Henry James Loftus van het 146 Medium Regiment van de Royal Artillery werden hierbij eveneens gedood.

Ze werden aanvankelijk eervol begraven nabij Sint Anthonis op het terrein van M. de Groot aan de Boxmeerseweg. 

Op 21 mei 1947 werden ze alledrie herbegraven op Overloon War Cemetery. 

Voor zijn uitzonderlijke en brede inzet aan de belangrijkste fronten van de Tweede Wereldoorlog werden aan Arthur Rueben Murkin postuum de volgende onderscheidingen toegekend:
1939/43 Star (1939-1945 Star): Voor algemene operationele dienst in de eerste oorlogsjaren.
Defence Medal: Voor zijn inzet in niet-operationele gebieden.
France & Germany Star: Voor zijn inzet tijdens de bevrijding van West-Europa tussen juli 1944 en februari 1945.
War Medal 1939/45: De algemene campagne medaille voor getrouwe dienst tijdens de 2e wereldoorlog.

Arthur diende in totaal 6 jaar en 158 dagen, met plaatsingen in het Verenigd Koninkrijk, Malta, Frankrijk (B.E.F.) en Noordwest-Europa.

Einde van Operatie Veritable

Ondanks een zwaar inleidend artillerie- en luchtbombardement veranderde de geallieerde opmars in een uitputtende, maandlange strijd door het doordrenkte Reichswald, waar dooi, hevige regenval en opzettelijke Duitse onderwaterzettingen het voertuigverkeer ernstig belemmerden. Door zich door hardnekkige weerstand en goed versterkte verdedigingslinies te vechten, braken de geallieerden geleidelijk het verzet van de verdedigers, totdat de resterende Duitse eenheden op 11 maart 1945 ten slotte over de Rijn terugtrokken en de laatste brugshoofden opbliezen, waarmee de gehele westelijke oever veiliggesteld werd.

De nasleep

Het volgende bericht verscheen op 9 maart 1945 in de Bury Free Press:

“MURKIN – De heer en mevrouw Jonah Murkin en hun gezin uit Hargrave willen de vele vriendelijke vrienden en verwanten bedanken voor hun brieven en medeleven naar aanleiding van het verlies van hun zoon, soldaat Arthur Murkin, die sneuvelde aan het westelijk front.”

Dit bericht verscheen op 16 maart 1945 in de Bury Free Press:

“MAN UIT HARGRAVE GEVALLEN
Met droefheid melden wij het overlijden van soldaat Arthur Murkin, de oudste zoon van de heer en mevrouw Jonah Murkin, Bird’s End, Hargrave, die sneuvelde aan het westelijk front. Dvr. Murkin, die 23 jaar oud was,
diende bij de R.A.S.C. Hij raakte gewond bij Duinkerken. Er gaat veel medeleven uit naar zijn ouders en zijn
jonge vrouw, met wie hij pas kort getrouwd was.”

In januari 1945 werd Brenda geboren, net voordat haar vader Arthur gedood werd. Het is op dit moment niet duidelijk of Arthur geweten heeft van haar geboorte. Helaas heeft Brenda haar vader nooit gekend en ook haar was geen lang leven gegund; zij stierf al op 7-jarige leeftijd. 

Haar moeder Myrtle hertrouwde in oktober 1945 in Huntingdon Cambridgeshire met George Bain (1923-1989) en kreeg nog eens vier dochters: Patricia, Christine, Yvonne en Linda. 

Over het verdere verloop van het leven van Myrtle en haar kinderen is op dit moment nog niet zoveel bekend. 

Myrtle stierf op 61 jarige leeftijd in januari 1982 in het district Doncaster. 

Armoured personnel carriers and lorries in the village of Beers towards Operation Veritable
Pantservoertuigen en vrachtwagens in het dorp Beers in de aanloop naar Operatie Veritable
Heavy mud in February 1945
Zware modder in februari 1945
Bailey Bridge from Oeffelt to Gennep February 1945
Bailey-brug van Oeffelt naar Gennep, februari 1945
Arthur Rueben Murkin foto gerestaureerd met AI
Arthur Rueben Murkin foto gerestaureerd met AI
Lees- en schrijftest van Arthur in 1938
Lees- en schrijftest van Arthur in 1938
RASC Artillery Company, Army Group RA, GHQ Artillery 6-6-44
RASC Artillery Company, Army Group RA, GHQ Artillery 6-6-44

Bronnen en credits

Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; militaire registers en stambomen.
Wikipedia Royal Army Service Corps RASC
ww2talk.net 
War Diaries 146th (Pembroke and Cardiganshire) Field Regiment Royal Artillery
War Diaries 171/6423 en 171/2593 met dank aan Mark Hickman van Pegasus Archive 
Bryan Johncock voor de foto van Arthur
Service Record WO 423/502496 van Arthur Rueben Murkin van de National Archives
https://hargraveheritage.org.uk/families/
“Bevrijd Cuijk, onder vuur” 1994 samengesteld door Piet van Haren, Hans Huijbregts, Cor van Duijnhoven en Rob Arntz.
Foto Beers uit “40-45” Toen & Nu; De slag om het Reichswald.
Foto’s Bailey Bridge en de motorfiets uit het boek “Bevrijd Cuijk onder vuur”. 

Research Anny Huberts

volg ons op

e-mail: overloonwarchronicles@gmail.com
correspondentieadres:
Holthesedijk 2 a, 5825JG Overloon

Kvk nummer: 83346422
Banknummer: NL04 RBRB 8835 3869 69
t.n.v. Stichting Overloon War Chronicles
BIC / SWIFT code  RBRBNL21

©2021 Overloon War Chronicles