Woodland | Reginald William Joseph
- Voornamen
Reginald William Joseph
- Leeftijd
37
- Geboortedatum
18-01-1907
- Datum overlijden
15-10-1944
- Servicenummer
1063511
- Rang
Gunner
- Regiment
Royal Artillery, 76 Field Regt.
- Grafnummer
II. A. 13.
Biografie
Reginald Woodland (servicenummer 1063511) sneuvelde op 15 oktober 1944. Hij diende bij het Royal Artillery, 76 Field Regt. Hij werd eerder begraven in Oploo en werd op 30-01-1946 overgebracht naar de huidige begraafplaats op Overloon War Cemetery en ligt begraven in perceel nummer II.A.13. Op zijn grafsteen staat geschreven: “In proud memory, Of a beloved son and brother, Loved and missed more, Every day”
Familieachtergrond
Reginald werd geboren op 18 januari 1907 in Radstock, Somerset in Engeland. Zijn ouders waren Alfred Woodland (1880-1957) en Lily Humphrey (1879-1953).
Hij had een zus Dorothy Alice Woodland (1907-1964) en broer Leonard Sydney Woodland (1920-1983).
Hij bleef wonen in Radstock en werkte als hoefsmid voor Mr G Gregory, Braysdown Colliery.
Hij trouwt op 9 december 1933 met Ivy Elizabeth Latchem en op 29 november 1934 wordt hun zoon Henry George Latchem Woodland geboren.
Uit krantenberichten is duidelijk geworden dat dit huwelijk niet echt een succes lijkt te zijn geworden.
Het huwelijk vond plaats in de plaatselijke parochiekerk. De huwelijksafkondigingen voorafgaande aan het huwelijk waren drie keer gedaan, waarna Ivy weigerde met het huwelijk door te gaan. Reginald was daar zeer door aangedaan, aangezien hij erg aan haar gehecht was. Enkele maanden later gaf Ivy te kennen alsnog te willen trouwen, waarna hij een speciale vergunning verkreeg en zij in de plaatselijke kerk in het huwelijk traden.
Zij leefden enkele maanden samen, maar al snel begon hun relatie scheuren te tonen. Volgens Reginald werd hij voortdurend door zijn vrouw bekritiseerd. In februari 1934 verliet zij hem na een aantal ruzies. Hij schreef haar en verzocht haar terug te keren naar haar huis, maar zij weigerde. Ivy op haar beurt verklaarde later dat er wel degelijk door haar pogingen waren ondernomen om naar huis te gaan maar dat ze telkens voor een gesloten deur kwam te staan.
Uiteindelijk verklaarde Reginald dat hij niet meer bereid was om zijn vrouw terug te nemen omdat samenleven onmogelijk zou zijn. Ivy diende bij de politerechtbank een verzoek tot echtscheiding in maar door gebrek aan bewijs weigerde de rechter dit verzoek.
Samenvatting uit het artikel
In april 1935 behandelde de politiebankrechtbank van Radstock de zaak tegen Reginald William Joseph Woodland. Hij was op dat moment stalknecht bij Ascot Riding Stables. Hij werd ervan beschuldigd zijn echtgenote, Ivy Elizabeth Woodland, te hebben verlaten, waardoor zij afhankelijk was geworden van openbare bijstand.
Reginald Woodland had Radstock verlaten nadat hij via een advertentie in een plaatselijke krant werk had gevonden in Ascot. Hij verklaarde dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij niet wettelijk verplicht was om bij te dragen aan het onderhoud van zijn vrouw en dat hij hierover juridisch advies had ingewonnen. Na zijn vertrek hoorde hij niets meer van de Commissie voor Openbare Bijstand en wist hij niet dat zijn vrouw uitkeringen ontving.
Tijdens zijn werk in de stallen in Ascot werd Reginald zonder voorafgaande waarschuwing gearresteerd en teruggebracht naar Radstock. Als gevolg van deze arrestatie verloor hij zijn baan. Uit de zitting bleek dat de Commissie voor Openbare Bijstand sinds september 1934 een bedrag van £21 en 17 shilling aan zijn echtgenote had uitgekeerd.
De rechtbank legde Woodland een gevangenisstraf van één dag op, wat in de praktijk betekende dat hij onmiddellijk vrij was. De magistraten accepteerden een regeling waarbij zijn ouders 5 shilling per week zouden betalen, en Reginald Woodland zelf nog eens 5 shilling per week zodra hij weer werk zou hebben. Reginald verklaarde bovendien bereid te zijn zijn vrouw weer in huis te nemen, mits hij zijn baan kon terugkrijgen. Met deze afspraak werd de zaak afgesloten.
Het lijkt er niet op dat ze nog zijn gaan samenwonen. Uit de volkstellingen van 1939 blijkt Ivy, samen met hun zoon Henry, bij haar ouders te wonen.
Volgens de erfenisstatuten heeft ook niet zij, maar de zus van Reginald zijn erfenis ontvangen.
Militaire carrière
Op 24 augustus 1925, op achttienjarige leeftijd, meldde Reginald zich aan bij het Royal Regiment of Artillery. Hij werd medisch goedgekeurd en geschikt bevonden voor militaire dienst.
Zijn opleiding begon op 4 september 1925 bij de 11e Field Brigade, waar hij werd aangesteld als Gunner. Op 5 oktober 1925 volgde zijn plaatsing bij de 22e Field Brigade van de Royal Artillery. Deze eenheden maakten deel uit van het reguliere Britse leger in de periode vóór de Tweede Wereldoorlog. De field regiments vormden de ruggengraat van de artillerie en opereerden doorgaans als vast onderdeel van infanterie- en pantserdivisies.
India
Op 5 oktober 1926 vertrok Reginald naar India, waar hij diende bij zowel de 22e als de 32e Field Brigade. Op 16 oktober 1929 werd hij vermoedelijk overgeplaatst naar de 7/4 Field Brigade. Hij bleef tot 22 maart 1932 in India en behaalde daar, op Station Rawalpindi, het 3rd Class Certificate. In zijn beoordeling werd hij omschreven als:
“Een eerlijke, hardwerkende, betrouwbare en nuchtere man. Werkt goed zelfstandig, zonder toezicht.”
Terug naar Engeland
Na zijn terugkeer werd Reginald overgeplaatst naar de Army Reserve. Dit betekende dat hij weer in het burgerleven mocht werken, maar beschikbaar bleef voor oproeping voor actieve dienst — de zogenoemde “service with the colours”. Deze traditionele Britse term verwees naar de periode van voltijdse militaire dienst, in tegenstelling tot de reservestatus waarin een soldaat wel paraat bleef maar geen dagelijkse militaire taken uitvoerde.
Op 24 augustus 1937 werd Reginald opnieuw opgeroepen voor dienst. Uiteindelijk werd hij op 23 september 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in Ascot gemobiliseerd en ingedeeld bij het 76th Field Regiment.
Frankrijk 1940
Met dit regiment vertrok hij op 29 januari 1940 met de British Expeditionary Force (BEF) naar Frankrijk. Daar raakte hij al snel betrokken bij zware gevechten en uiteindelijk bij de dramatische terugtocht richting Duinkerken.
Na de Duitse inval in West-Europa op 10 mei 1940 rukte het BEF volgens het geallieerde plan op naar België. De Duitse Blitzkrieg, met snelle pantserdivisies en intensieve luchtaanvallen, doorbrak echter de geallieerde linies bij Sedan. Hierdoor raakten Britse en Franse troepen in Noord-Frankrijk afgesneden.
Terugtrekkend vochten de Britse eenheden hevige achterhoedegevechten onder voortdurende aanvallen van de Luftwaffe. Tegen het einde van mei waren zij teruggedrongen tot een verdedigingsring rond de havenstad Duinkerken. Daar werd Operatie Dynamo gestart: een grootschalige evacuatie over zee.
Tussen 26 mei en 4 juni 1940 werden ongeveer 338.000 geallieerde militairen — het merendeel van het Britse leger — geëvacueerd met marineschepen en honderden civiele vaartuigen. Ongeveer 11.000 Britse soldaten kwamen om of werden krijgsgevangen genomen. Hoewel vrijwel al het zware materieel verloren ging en Frankrijk korte tijd later capituleerde, slaagde Groot-Brittannië erin de kern van zijn leger te redden, waardoor de strijd tegen Duitsland kon worden voortgezet.
Op 3 juni 1940 behoorde Reginald tot de militairen die veilig naar Groot Brittannië werden overgebracht.
Training en hervorming
Tot 12 juli 1944 verbleef hij in Groot-Brittannië. In deze periode werd het 76th (Highland) Field Regiment — net als veel andere eenheden — opnieuw opgebouwd en uitgerust. De lessen uit Frankrijk werden ter harte genomen. Het regiment schakelde over van verouderde artilleriestukken naar moderne 25-pondskanonnen met Quad-kanontractoren, en later naar de zelfrijdende M7 Priest-artillerie.
In 1943 trainde het regiment intensief met de 3e Britse Infanteriedivisie ter voorbereiding op de geallieerde landing in Normandië, Operatie Overlord. Als onderdeel van de 21st Army Group ontwikkelde het regiment zich tot een modern, mobiel artillerieonderdeel, gespecialiseerd in zelfrijdende operaties.
Waar het regiment in 1940 nog als overrompelde eenheid had moeten vechten tijdens de terugtocht in Frankrijk, stond het in 1944 klaar als een hervormd, goed getraind en modern artillerieregiment — gereed voor de komende grote operaties op het Europese vasteland.
Normandie 1944
Als onderdeel van de 3e Britse Infanteriedivisie arriveerde Reginald op 13 juli 1944 in Normandië. Het regiment bevond zich op dat moment in La Londe, waar het werd ingezet bij de verdediging van het Château de La Londe. Dit kasteel was op 28 juni, na hevige gevechten en zware verliezen, op de Duitsers veroverd. Na de geallieerde landing van 6 juni 1944 had de Duitse bezettingsmacht het chateau gebruikt als commandopost.
De aanval op het chateau bleek bijzonder zwaar. Britse eenheden leden grote verliezen, vooral doordat zij het doel zonder voldoende pantserondersteuning moesten bestormen. Veteranen beschreven deze strijd later als een van de bloedigste gevechten van de Normandië-campagne, met honderden Britse slachtoffers. Het château vormde een belangrijk, zwaar verdedigd doel binnen de geallieerde poging om het gebied rond Caen te bevrijden: Operatie Goodwood.
Ook Reginald zal na zijn aankomst in Frankrijk vrijwel direct betrokken zijn geweest bij deze operatie.
Caen
De strijd om Caen duurde meer dan een maand. Via het aanvalsplan Operation Charnwood slaagden de geallieerden er uiteindelijk in om op 9 juli het grootste deel van de stad in te nemen. Op 7 juli om 21.50 uur begon een grootschalig bombardement: 467 geallieerde vliegtuigen bestookten de stad, die binnen veertig minuten vrijwel volledig werd verwoest. Daarbij kwamen ongeveer 300 Franse burgers om het leven. De Duitsers waren hierdoor echter ook tijdig gealarmeerd.
De volgende ochtend bij zonsopgang begonnen Britse en Canadese troepen hun aanval, ondersteund door een zogenoemde creeping barrage (vuurwals). Britse en Canadese artilleriekanonnen vuurden onafgebroken op de Duitse stellingen ten noorden van de stad, waarbij het inslaggebied elke vijf minuten ongeveer honderd meter werd verlegd. De daaropvolgende aanval werd uitgevoerd door 115.000 man en 500 tanks.
Na Operation Charnwood volgden achtereenvolgens Operation Jupiter, Operation Goodwood en uiteindelijk Operation Atlantic, om Caen en de omliggende gebieden volledig in te nemen. Pas op 19 juli was dit doel bereikt — tegen een enorme prijs: circa 30.000 Britse en Canadese doden en ongeveer 3.000 burgerslachtoffers.
Na de gevechten bij Caen bleef het regiment ondersteuning leveren. Op 17 juli staken zij de rivier de Orne over via een Bailey Bridge, bekend als de Escarde Bridge. De dagen daarna verliepen naar verhouding rustig, met slechts sporadische gevechten en beperkte verliezen.
Om bij te komen van de zware gevechten van de voorafgaande maanden en het verwerken van de vele verliezen, besloot de commandant op 26 juli het gehele regiment een rustdag te geven op de stranden van Luc-sur-Mer. Volgens de war diaries was het een geweldige dag, al werden er zelfs toen nog verliezen geleden door vijandelijk vuur vanaf posities achter de stranden.
Gevechten rondom Falaise
Daarna trok het regiment westwaarts, langs het zuiden van Bayeux richting Vire. Dit maakte vermoedelijk deel uit van de manoeuvres die leidden tot het sluiten van de Falaise-kloof op 21 augustus, waarbij grote aantallen Duitse troepen werden omsingeld.
Het regiment verbleef achtereenvolgens in Vire, Tinchebray en Flers. Eind augustus rukten zij steeds noordelijker op en op 17 september staken zij de Frans-Belgische grens over, ten noorden van Mons. Op 19 september namen zij deel aan gevechten bij Lille–Saint-Hubert, waar zij hielpen het bruggenhoofd te versterken.
Tussen 11 en 19 september 1944 lag dit dorp in de frontlinie tussen Duitse en Britse troepen. De strijd om de oversteek van het Meuse–Escautkanaal, ten noorden van het dorp, speelde daarbij een cruciale rol. Op 19 september was Lille–Saint-Hubert volledig bevrijd en trok het regiment verder om met succes ondersteuning te bieden bij Hamont.
Holland
Op 21 september staken zij bij Weert de Nederlandse grens over. In de daaropvolgende periode kwamen zij geregeld in actie in onder meer Bakel en Gemert.
Eind september werd het regiment verplaatst naar Molenhoek, nabij Nijmegen, ter ondersteuning van de 82nd US Airborne Division, waarbij de 3e Britse Infanteriedivisie in reserve bleef. Vanaf 1 oktober hielp het regiment de Amerikanen bij het zuiveren van de noordelijke Maasoever, van Mook tot voorbij Cuijk, om de bouw van nieuwe bruggen mogelijk te maken.
Het regiment kreeg echter als eerste het bevel om artillerievuur uit te brengen op Duits grondgebied, boven het gehucht Frasselt, dat direct tegen het Reichswald aan ligt. In september 1944 werden hier bombardementen uitgevoerd om Duitse eenheden te treffen en hergroepering te voorkomen. Hoewel de aanvallen gericht waren op militaire doelen, werden vooral burgers in de omgeving getroffen door splinterbommen. Het gebied zou nog maandenlang een zwaarbevochten frontzone blijven.
Overloon
In de eerste dagen van oktober 1944 hielpen ze de Amerikanen waar mogelijk, terwijl ondertussen voorbereidingen werden getroffen voor een verplaatsing naar Sint Anthonis. Op 9 oktober kwamen zij daar vrijwel direct in actie bij gevechten rond Oploo, ter ondersteuning van de 3e Britse Infanteriedivisie, en begonnen de voorbereidingen voor de aanval op Overloon.
Op 12 oktober vuurden zij om 11.00 rode rookgranaten af om doelen voor geallieerde jachtbommenwerpers in de bossen ten zuidoosten van Overloon te markeren. Later bleek dat deze aanvallen bijzonder succesvol waren.
Diezelfde dag om 11.00 uur openden meer dan 200 geallieerde kanonnen, opgesteld bij Sint Anthonis, Oploo, Stevensbeek en De Rips, het vuur. In anderhalf uur tijd kwamen meer dan 25.000 granaten op Overloon terecht. Om kwart over twaalf, toen het dorp was veranderd in een puinhoop, rukten twee infanteriebataljons op. Aan de westflank het 1e bataljon Suffolk Regiment, via Hazenbroek en Peelkampsveld, en aan de oostflank het 2e bataljon East Yorkshire Regiment door de Stevensbeekse bossen. Zij werden gevolgd door Churchill-tanks van de Coldstream Guards en door zogeheten Flail-tanks, speciaal uitgerust om mijnenvelden vrij te maken.
De infanteristen volgden de langzaam oprukkende tanks op korte afstand. Het eerste uur verliep voorspoedig, maar zodra de East Yorks het bos ten noorden van Overloon bereikten, boden de Duitsers steeds feller weerstand. Tanks liepen vast in mijnenvelden en leden zware verliezen door Duitse antitankkanonnen, mede doordat het drassige terrein hen dwong op de wegen te blijven.
Rond 15.00 uur werd ook het reservebataljon van de 8e Britse Brigade, het 1e bataljon South Lancashire Regiment, ingezet om de rechterflank te beschermen. Met steun van de Coldstream Guards bereikten zij de bossen ten westen van Overloon. Na een moeizaam gecoördineerde aanval was het zwaar verwoeste dorp die avond grotendeels in Britse handen.
Op vrijdag 13 oktober werd het offensief in de vroege ochtend hervat. Het patroon herhaalde zich: beperkte vooruitgang, zware verliezen en bittere gevechten in de omliggende bossen. De Duitsers werden slechts meter voor meter teruggedrongen. Vier Churchill-tanks raakten buiten gevecht. Ook op 14 oktober bleef het regiment actief bij het zuiveren van het gebied ten oosten en zuiden van Overloon. Deze dag wordt gezien als de bevrijding van Overloon maar dat ging wel ten koste van vele slachtoffers uit diverse regimenten als Royal Ulster Rifles, King’s Own Scottish Borderers en de Lincolnshires.
Op 15 oktober, een dag na de bevrijding van Overloon, kreeg het regiment opdracht om samen met de 11e Pantserdivisie een aanval uit te voeren richting het dorp Smakt. De aanval vertrok vanuit een gebied dat werd bewaakt door het 2e bataljon King’s Shropshire Light Infantry. Het doel was de spoorlijn die enkele honderden meters ten westen van Smakt van noord naar zuid liep.
De opmars verliep moeizaam doordat zwaar militair verkeer de wegen vrijwel onbegaanbaar had gemaakt. De aanval werd ondersteund door de Fife and Forfar Yeomanry en een rollend artilleriespervuur dat zich elke twee minuten honderd meter verplaatste. Het spervuur moest 10 minuten bij de openingslinie blijven. Door te korte inslagen vielen echter granaten in eigen gebied, wat slachtoffers veroorzaakte. Het offensief stokte tijdelijk, waarna het spervuur werd gestaakt en vervangen door springladingen.
Het terrein bestond uit een uitgestrekte zandvlakte met duinen, vrijwel onbegaanbaar voor voertuigen. De verkenningswagen van de commandant moest zelfs door een tank worden voortgesleept om de radioverbinding in stand te houden. Ondanks tegenstand bereikten meerdere compagnieën uiteindelijk de spoorlijn. Daarna volgde zwaar vijandelijk vuur met onder meer 105 mm- en 88 mm-kanonnen, mortieren en Nebelwerfers. De verliezen onder de Britse eenheden waren aanzienlijk. Het verdient vermeld te worden dat voor zijn optreden die dag sergeant George Harold Eardley van het King’s Shropshire Light Infantry later het Victoria Cross ontvangt.
Tijdens de gevechten op 15 oktober 1944 helaas kwam Reginald Woodland om het leven. Hij werd tijdelijk begraven in Oploo, aan de Deurnseweg. Op deze begraafplaats lagen uiteindelijk tachtig Britse militairen begraven, die later werden herbegraven. Velen vonden hun laatste rustplaats in Mierlo, anderen op de Overloon War Cemetery — waaronder ook Reginald, die daar op 30 januari 1946 werd begraven in graf II.A.13.
Reginald ontving de volgende medailles voor zijn militaire acties:
1939-1945 Star
France & Germany Star
Defence Medal
War Medal 1939-1945
Foto’s en documenten
Bronnen en credits
Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; militaire registers en stambomen
Wikipedia voor o.a. informatie over Royal Artillery, 76th Field Regiment
War Diaries 76th Highland Field Regiment
Service Record WO 423/202335 van Reginald William Joseph Woodland van de National Archives
Somerset Guardian and Radstock Observer 1935-04-19
Somerset Guardian and Radstock Observer 1933-12-21
Piet Peters voor portretfoto van Reginald.
Deze biografie is samengesteld door onze stichting op basis van eigen onderzoek en verhalen van andere militairen die dienden in hetzelfde regiment of deelnamen aan dezelfde strijd op die dag. Hierbij is deels gebruikgemaakt van collectief werk binnen de stichting.
Research Anny Huberts