Barnard | Jack Kitley
- Voornamen
Jack Kitley
- Leeftijd
25
- Geboortedatum
1919
- Datum overlijden
14-10-1944
- Servicenummer
314365
- Rang
Lieutenant
- Regiment
Royal Engineers, 246 Field Coy.
- Grafnummer
III. C. 13.
Auteur Geert de Kruijf
Biografie
Jack is geboren op 1 oktober 1919 in Seven Kings, Essex, als zoon van Sidney George en Elsie Barnard. Hij had twee broers. Zij woonden op 39 Hollins Lane, Marple Bridge, Cheshire.
Zijn vader was, evenals zijn grootvader en een van zijn broers tandarts.
Hij trouwde met Peggy Ina Brown op 12 september 1942 in St.Dunstan’s Church in Cheam Surrey. Zij kregen één dochter, Susan, geboren op 2 februari 1945.

Zijn opleiding

Hij ging naar Clacton High School in Essex. In 1937 ging hij naar de Royal School of Mines. Deze school is in 1851 opgericht als de Government of Mines and Science Applied to the Arts en in 1863 omgedoopt tot de Royal School of Mines, een staatsonderwijsinstelling voor mijnbouwwetenschappen in Londen. In 1907 werd het onderdeel van Imperial College en huisvest nu de afdelingen Earth Science and Engineering en Materials van Imperial College.
In 1941 behaalde hij een “first-class A.R.S.M. in mining” en “The London B.Sc. (Engineering)”. A.R.S.M. staat voor Associate of the Royal School of Mines. Het is een graad toegekend door het Imperial College London en wordt gelijkwaardig beschouwd aan een bachelors graad in de mijnbouw. Hij nam een baan aan bij Messrs J.Cochran & Co in Wolverley, Worcestershire en in 1942 was hij werkzaam bij Geevor Tin Mines Ltd. Cornwall. Hij vertrok daar in 1943 naar de “Royal Engineers” en werd officier in 1944.
Militaire carrière
Aan de hand van de “Particulars of service”, een registratielijst, kon met behulp van externe deskundigen globaal een overzicht gemaakt worden van de onderdelen waarbij is geplaatst geweest.
Hij is opgekomen bij de 21e legergroep GHQ (general head quarters/algemeen hoofdkwartier.
De 21e legergroep was de hoogste eenheid waar alles onder viel voor en tijdens de bevrijding van Normandië.
Daarna werd hij verschoven naar de eenheden die vraag hadden naar officieren of om hem kennis te laten maken met de diverse onderdelen.
Op 17 april 1944 gaat hij naar 12 Corps (corps onder 21e legergroep).
Op 19 april 1944 naar 262 Field Company Royal Engineers, een eenheid onder 59e Divisie HQ.
Op 1 mei 1944 naar HQ 59 divisie (divisie waaruit met vele eenheden 12 corps bestond).
Uiteindelijk op 13 mei 1944 nog even naar het 257 Field Company van de 59e Divisie.
Waarschijnlijk maakt hij deel uit van het 257 Field Company als hij op 9 juni 1944 naar Normandië gaat.
Van daaruit gaat hij naar de 3e Infanterie Divisie. Daar maakt hij deel uit van 253 Field Company toebedeeld aan het hoofdkwartier van de 3e Divisie.
Hij gaat dan via de 3e Divisie intern door naar andere eenheden (men had natuurlijk dagelijks verliezen en moest wat schuiven om op sterkte te blijven).
Van het 253e Field Company gaat hij op 27 september 1944 naar de 246e Field Company en daar vindt hij uiteindelijk zijn dood bij Overloon op 14 oktober 1944. Zijn dood wordt in de “Particulars of service” eerst op 19 oktober 1944 geregistreerd.
Hij sneuvelt in Overloon op of bij de Stevensbeekseweg. Tegelijk met hem sneuvelen de sergeants E.H. Rees en T.J. Watts. Zij liggen alledrie begraven op Overloon War Cemetery.
Jack komt om het leven tijdens een ongeluk waarbij mijnen tot ontploffing kwamen. Zijn commandant legt in een brief van 5 december 1944 aan de familie van Jack uit wat er precies gebeurd is. Een fataal ongeluk waarbij 3 militairen direct om het leven kwamen. Lees de precieze toedracht in zijn brief hieronder.
Bryan Guy, veteraan en pelotonslid beschrijft jaren later ook de gebeurtenissen.
“Het gebeurde op het moment dat we voor het eerst kennismaakten met een nieuw type Duitse anti-tank mijn, die we “Riegel”-mijn noemden.” Een langwerpige, zandkleurige doos met een enorme kracht. In deze hoek van Overloon, waren honderden van deze mijnen opgegraven en lagen overal opgestapeld in de loopgraven en zelfs ook op de grond.
Terwijl we daar stonden, daalde het vijandelijke geschut over ons heen. Het was erg gevaarlijk, want de plek was bezaaid met deze mijnen. Een officier beval ons om te wachten op een betrouwbare mijnexpert, die zou proberen deze mijn te demonteren. Wij wisten niet of de mijnen gemanipuleerd waren, of hoe ze te ontmantelen.
Nadat we er een tijdje over hadden staan praten, vertrokken de officier en ik op mijn motor. Enkele seconden na ons vertrek, hoorden we achter ons een enorme explosie. Onmiddellijk keerden we de motor en reden we terug naar de groep waar we constateerden dat alle mijnen ontploft waren, inclusief iedereen die erbij stond.
We weten niet of Sgt. Rees en Sgt. Watts hadden besloten om de mijnen zelf te gaan onderzoeken, of dat, wat eerder aannemelijk is, een mortier inslag de stapel mijnen heeft laten ontploffen.
Guy: “Toen we aankwamen bleken ze allemaal op slag gedood door de enorme ontploffing.”
“De dood komt vaak snel en onverwacht.”
“Onze vrienden, waar we enkele minuten daarvoor nog mee hadden staan praten, waren er niet meer.”
De militairen werden in de onmiddellijke nabijheid begraven in een veldgraf. Dit graf werd geregistreerd met de coördinaten 757323 op “Map St. Anthonis, Holland, image 11 of 55” (GPS: latitude: 51° 34’ 34” N/longitude 5° 56’38” E).
In de oorlogsverslagen van zijn compagnie wordt hij slechts tweemaal vermeld. Op 13 oktober neemt hij het commando over het 2e peloton en op 14 oktober wordt melding gemaakt van zijn overlijden.
Jack Barnard ligt begraven in graf III. C. 13. Edward Rees ligt in graf III.C.14 en Thomas Watts in graf III. C. 12.
Gedicht door Bryan Guy
Opgedragen aan al die jonge mannen die nooit thuiskwamen. Van de velden van Normandië breng ik veel herinneringen terug. Ik laat veel vrienden achter, waaronder Jack Barnard, Edward Rees en Thomas Watts.
Les Fleurs de Normandie.
On Norman soil, they fought and died.
Now young men’s graves in rows abound.
In Mother Earth’s arms, now sanctified,
The fragrant flowers of our youth are found.
And yet, to rise again, as in a distant song.
Small voices that call, in dead of night.
Fleeting figures only in our dreams belong.
Alas, they fade, in dawn’s bright light.
I see them yet, a sad, forgotten throng.
Shadowed, lost faces, marching on.
Over dusty roads, and high golden corn.
The call of long lost friends are borne.
We must not forget, the flowers of our days,
Lest they lay unquiet, in numbered graves.
For we lived, and loved, and life was sweet.
Still yet, for us, awaits our last retreat.
Flowers of our youth, now long since past.
Our sweet autumn days are fading fast.
We, who are left, flowered in our prime.
Enjoyed golden moments, on borrowed time.
Remember our friends, who passed this way.
For all our tomorrow’s, they gave their today’s,
On Utah and Omaha, Juno, Sword and Gold.
Oh! Dear Lord! See that they grow not old.
Brian Guy.
June 1944/2010
Familiefoto’s
Dokumenten
Bronnen en credits
Susan Spears
Andy en Karen Barnard
Ernest Donders
Jeroen Koppes STIWOT
Bryan Guy veteran en pelotonslid
http://ww2talk.com/index.php?threads/for-all-my-lost-friends.25274/
http://www.6thcorpscombatengineers.com/BrianGuy.htm
Research Geert de Kruijf, Anny Huberts, Piet Peters