Sheen | Frank
- Voornamen
Frank
- Leeftijd
29
- Geboortedatum
05-08-1915
- Datum overlijden
14-10-1944
- Servicenummer
2656414
- Rang
Lance Corporal
- Regiment
Coldstream Guards, 4th Bn.
- Grafnummer
IV. C. 5.
Biografie
Frank Sheen sneuvelde op 14 oktober 1944 in de buurt van Overloon. Hij was toen 28 jaar oud. Hij was een Lance Corporal in het 4th Battalion van de Coldstream Guards (Service No. 2656414). Hij werd aanvankelijk iets ten noorden van de Molenbeek tussen Overloon en Venray begraven en op 28 mei 1947 herbegraven in graf IV. C. 5. op de CWGC Begraafplaats Overloon. De inscriptie op zijn graf luidt: “Memories linger deeply in a heart that will never forget. His loving wife”.
Familieachtergrond
Frank werd geboren op 5 augustus 1915 als zoon van Jack en Ada (Alice) Sheen (meisjesnaam Lyon) in Winsford, in het graafschap Cheshire, Engeland. Hij had een broer Robert.
Frank trouwde met Gladys Elsie Moores op 23 november 1939 in het Liverpool District of Knotty Ash. Ze kregen twee kinderen – David, geboren in december 1940 en Margaret, geboren in april 1942.
Hij werkte als politieagent bij de Cheshire-politie, totdat hij in 1939 in Londen werd gemobiliseerd.
Militaire carriere
Frank schreef zich op 5 april 1934 in Chester in voor de Regular Army. Hij werd ingedeeld bij het 3e bataljon van de Coldstream Guards en startte met diverse trainingen. Op 4 juli 1934 behaalde hij in Caterham een 3e klas certificaat, waar hij een basisopleiding voor de Guards volgde. Daarna nam hij van 29 oktober tot 7 december 1934 deel aan trainingen in transporttaken en stalbeheer in de militaire Warley Barracks in Brentwood. Daar behaalde hij op 11 december 1934 het 2e klas certificaat. Het certificaat laat zien dat hij slaagt voor: Engels, Leger en Imperium, Kaartlezen en Wiskunde. In de jaren daarna werd er veel getraind en vonden er reorganisaties van de bataljons plaats.
In de zomer van 1936 kreeg het 3e bataljon, gestationeerd in Aldershot, het bevel om zich om te vormen tot een machinegeweerbataljon. Er werd gestart met trainen en reorganiseren om deze nieuwe rol op zich te nemen. In feite vond de reorganisatie echter niet plaats; eind september 1936 kwam het bevel om op korte termijn in te schepen naar Palestina, waar een Arabische opstand dreigende proporties had aangenomen. Frank was een van de militairen die meeging op deze missie.
Palestina
Het bataljon, onder bevel van luitenant-kolonel J.A.C. Whitaker, scheepte in Southampton in op de S.S. Laurentic en landde op 1 oktober in Haifa. Van daaruit reisden ze per trein naar Jeruzalem. Tijdens de reis waren de vijandelijkheden gestaakt in afwachting van de komst van de ‘Peel-commissie’. Deze commissie ging ongeveer zes weken na het bataljon in Palestina aan land en doorkruiste het land om aanbevelingen te doen voor het oplossen van het probleem rond de Joodse immigratie. Lord William Peel was een bekende Britse politicus, lid van het Lagerhuis en het Hogerhuis, maar vooral bekend als voorzitter van deze commissie. De commissie beval in 1937 als eerste aan om Palestina op te delen in een Joodse en een Arabische staat. De tocht van het bataljon door het Heilige Land werd grotendeels een sightseeing-expeditie. Na drie maanden in het land keerden ze terug naar Aldershot, waar ze op oudejaarsavond aankwamen.
Trainingen voor de oorlog
Tot 4 april 1938 bleef Frank bij de Coldstream Guards, waarna hij werd overgedragen aan de reserves in afwachting van mobilisatie. Hij werd beoordeeld als een intelligente, betrouwbare man die het ook goed had gedaan als ober in de officiersmess en geschikt zou zijn voor een vertrouwensfunctie. Na zijn ontslag ging hij werken als politieagent bij de Cheshire-politie, totdat hij in 1939 in Londen werd gemobiliseerd.
In de twee jaar voorafgaand aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vonden er veel organisatorische veranderingen plaats. Er werden een aantal bataljons met middelzware machinegeweren opgericht en tegen 1939 was het reguliere leger volledig gemechaniseerd. In juli en augustus 1939 werden officieren en manschappen van de Reserve opgeroepen voor een drie weken durende opleiding bij het 1e en 2e bataljon. Een aantal potentiële officieren werd tijdens de bataljonsopleiding bij het 2e bataljon ingedeeld. De regimentsluitenant-kolonel interviewde een groot aantal jonge mannen met het oog op het opbouwen van een noodreserve van officieren.
4e Bn Coldstream Guards
In oktober 1940 werd het 4e bataljon gevormd in Elstree uit personeel van het ‘Holding Battalion’, onder bevel van luitenant-kolonel N.W. Gwatkin, M.V.O. Qua manschappen voldeed dit bataljon aan de ‘Higher Establishment’ (de volledige sterkte), maar het bevatte slechts een handjevol officieren en onderofficieren en bezat geen uitrusting, afgezien van geweren en vijf gevorderde voertuigen. Ongeveer 100 guardsmen moesten onmiddellijk worden bevorderd. Dankzij het feit dat zij uit de rangen waren gekozen door ervaren compagniescommandanten en door intensieve trainingen voor sectieleiders, vervulden de meesten van hen hun nieuwe functies bewonderenswaardig. Het lijkt aannemelijk dat Frank op dat moment bij dit nieuwe bataljon werd gevoegd.
Bij de oprichting vormde het bataljon, samen met het 4e bataljon Grenadier Guards and het 3e bataljon Scots Guards, de 30e Guards Brigade. De rol van de brigade was de verdediging van een deel van de zuidoostelijke perimeter van Londen. De onmiddellijke taak van het 4e bataljon was de bescherming van het hoofdkwartier van Fighter Command in Stanmore en het vliegveld van Hendon. Tegen april 1941 was het bataljon uitgegroeid tot een efficiënte infanterie-eenheid. Bij de vorming van de Guards Armoured Division in de herfst werd de gehele brigade ‘gepantserd’ (armoured), waarbij het 4e bataljon werd aangewezen als het bijbehorende gemotoriseerde bataljon (Motor Battalion).
Deze verandering van rol maakte een grootschalige reorganisatie binnen het bataljon noodzakelijk, aangezien er een aanzienlijk aantal opgeleide chauffeurs en marconisten nodig was. Het leidde ook tot het afvloeien van onderofficieren, aangezien efficiënte onderofficieren van een infanteriepeloton niet altijd voldeden aan de eisen van een gemotoriseerde sub eenheid. In oktober 1941 verhuisde het bataljon van Elstree naar kwartieren in Marston Bigot, nabij Frome, om te beginnen met de training voor zijn nieuwe rol. De rest van de brigade, inmiddels de 6e Guards Armoured Brigade genoemd, bevond zich in de regio Codford om te leren hoe ze met tanks moesten omgaan.
In november 1942 werd de structuur van gepantserde divisies drastisch gewijzigd, waarbij één infanteriebrigade in de plaats kwam van één van hun gepantserde brigades. De 6e Guards Armoured Brigade kreeg het bevel om deel uit te gaan maken van de 15e (Schotse) Divisie, die op dat moment aan de grens gestationeerd was. Dit was een ‘gemengde’ divisie van drie infanteriebrigades en één gepantserde brigade met zware infanterietanks.
Deze verdere verandering van rol had verstrekkende gevolgen: de gepantserde bataljons moesten de eigenaardigheden van een nieuwe tank leren kennen — de machtige Churchill — en de ongelukkige 4e Coldstream Guards moesten hun auto’s opgeven en zich toeleggen op het leren omgaan met zware bepantsering. Van een van de snelst bewegende gemechaniseerde eenheden in het leger zouden zij de langzaamste worden.
Het was tijdens deze laatste rolverandering dat het bataljon echt liet zien wat het kon. Maandenlang was de eenheid versnipperd, terwijl officieren, onderofficieren en manschappen overal in Engeland cursussen volgden. De eenheid voltooide de omschakeling echter in recordtijd en in het voorjaar van 1943 was zij gereed om op eigen kracht naar Bekenbey Moor in Yorkshire te trekken om te trainen met de bataljons van de 15e (Schotse) Divisie.
In september 1943 nam het bataljon deel aan ‘Blackcock’, de enige grootschalige oefening als ‘Army Tank Battalion’. Tijdens deze oefening verplaatste het zich van Leyburn naar Rufford Abbey nabij Nottingham. Hier bracht het de winter van 1943–1944 door met trainen in samenwerking met infanteriebataljons van de 51e (Highland) Divisie. Van hieruit trok het in april 1944 naar Charing in Kent. Er gingen veel geruchten de ronde dat het bataljon ontbonden of opgesplitst zou worden als versterking voor de Guards Armoured Division, maar uiteindelijk trok het bataljon in juli naar Southampton en wachtte daar op het bevel om in te schepen naar Normandië.
Normandië
Het 4e bataljon landde, samen met de rest van de 6e Guards Tank Brigade, op de middag van 20 juli 1944 op Juno Beach. Ze reden over paden die met bulldozers door de korenvelden waren getrokken naar een verzamelgebied in de boomgaarden, vijf kilometer ten oosten van Bayeux. De manschappen hadden, net als de mannen van het 1e bataljon een maand eerder, ruimschoots de tijd om de Normandische cider en kaas te proeven en de slagvelden te bezoeken.
Op de avond van 28 juli pakten de mannen van de 6e Guards Tank Brigade haastig hun uitrusting en verlieten Bayeux richting Caumont om deel te nemen aan Operatie Bluecoat. Het doel van deze operatie was het veroveren van het terrein tussen de Vire en de Orne. Hill 309, gelegen nabij Saint-Martin-des-Besaces in Normandië, was een belangrijk strategisch punt dat op 30 juli 1944 door het 4e Coldstream Guards werd veroverd. De heuvel kreeg later de nieuwe naam „Coldstream Hill“ en speelde een cruciale rol bij het doorbreken van de Duitse verdedigingslinies; tegenwoordig fungeert de plek als herdenkingsplaats.
Op de heuvel staat nu een gedenkteken voor brigadier Sir Walter de Stopham Barttelot, commandant van het 4e Coldstream Guards. Hij sneuvelde enkele weken later, op 6 augustus, toen hij met zijn chauffeur op een mijn reed. Hij ligt begraven op de Saint-Charles-de-Percy War Cemetery.
In augustus werd het bataljon opgesplitst om in afzonderlijke eenheden te vechten; deze werden toebedeeld aan de 8e, 9e of 185e brigade. Dit werd niet door alle eenheden positief ontvangen. Ze waren immers getraind om als één geheel te vechten en hadden dat bij Caumont ook met succes gedaan. Niettemin vochten ze in augustus toch regelmatig samen, onder andere bij Tinchebray.
Het front kwam dagelijks verder weg te liggen en er gingen weken voorbij voordat de brigade weer richting de frontlinie kon trekken. Voetbalwedstrijden, ENSA-voorstellingen (amusement voor de troepen door de Entertainments National Service Association) en zwempartijen hielpen de tijd te doden in Flers. De brigade trainde met de 3e divisie en oefende met vlotten en brugslagmaterieel voor de rivieroversteken die in toekomstige operaties werden voorzien. Ondanks het regelmatige vertier in de vorm van bioscoopbezoek, dansavonden en concerten, groeide er geleidelijk een gevoel van frustratie en ongeduld.
Operatie Market Garden in Nederland werd op 17 september ingezet. Zodra de opmars tot stilstand kwam, waren er weer Churchills nodig om de infanterie te helpen de smalle corridor te verbreden die het 30e Korps door Nederland had geslagen. Op 24 september vernam de brigade dat zij naar het front moest trekken; twee dagen later arriveerden de transportvoertuigen en op de 27e vertrokken de bataljons naar Nederland.
Holland
Op 29 september bereikten ze Eindhoven, waar ze triomfantelijk werden onthaald en genoten van comfortabele kwartieren. Op 30 september pakten ze haastig in en vertrokken richting Nijmegen. Ze overnachtten in Sint-Hubert en staken de volgende dag, 1 oktober, via Grave de Maas over om via Nijmegen aan te komen in de bossen van Mook. Het bataljon ondersteunde daar opnieuw de 8e en 185e brigade van de 3e divisie. Er werden plannen gemaakt om de langgerekte heuvels van het Reichswald aan te vallen, die enkele kilometers oostelijker lagen. De aanval werd gedurende vijf dagen van stromende regen voorbereid, maar werd op 7 oktober plotseling afgeblazen.
De operatie waarvoor het bataljon nu bestemd was, was van bescheidener omvang. De geallieerde corridor moest worden verbreed door de linkeroever van de Maas te zuiveren. De 3e divisie zou, met de 4th Grenadiers en de 4th Coldstream Guards ter ondersteuning, in zuidelijke richting aanvallen om de dorpen Overloon en Venray te veroveren. De mannen hadden voor zichzelf dug-outs gebouwd waarin ze een redelijk droog en warm onderkomen hadden.
Op 8 oktober schreef Frank een brief aan zijn vrouw Gladys, wetende dat ze de volgende dag weer zouden vertrekken, terug via de brug in Grave naar Mill.
Brief van Frank aan zijn vrouw Gladys
8 oktober 1944
Mijn allerliefste vrouw, enorm bedankt schat voor je twee brieven, ze lijken ons nu veel sneller te bereiken, de ene 6 dagen & de andere 4 dagen, dus dat is helemaal niet slecht, toch? Nou mijn beste, de zaken gaan de laatste tijd niet al te slecht, soms behoorlijk koud en een aardige hoeveelheid activiteit, maar we mogen echt niet klagen, het zou echt veel erger kunnen zijn. We hebben nauwelijks een glimp van de Nederlandse bevolking kunnen opvangen sinds we Nederland zijn binnengekomen, maar blijkbaar zijn ze allemaal dolblij met de Britten. Op dit moment hebben we de meest prachtige schuilplaats. Onze bemanning bestaat uit slechts 4 man, de commandant die een officier is – de troepencommandant – heeft zijn eigen tent, dus we hebben ongeveer een meter diep gegraven en hout rond de zijkanten geplaatst en ons bivakzeil eroverheen gelegd. Daarna hebben we met een ander zeil een kleine afdakconstructie gemaakt voor onze rugzakken en kleine uitrusting. Ik heb een kleine batterij en een elektrisch lampje geïnstalleerd, dus alles is behoorlijk knus. Je zou verbaasd zijn hoe warm we het hebben door met z’n tweeën te slapen. Het is vreselijk lachwekkend, er fluiten granaten over in beide richtingen, maar we besteden er niet veel aandacht aan, sterker nog, er gaan er veel over en we horen ze nooit. Ik moest vanmorgen om mezelf lachen, gisteren heb ik mijn ondergoed gewassen en toen we vanmorgen de tank startten, heb ik het gedroogd op de uitlaten, granaten gingen eroverheen en eerlijk gezegd zijn de Hunnen niet ver vandaan, het is vreselijk grappig als je erover nadenkt.
We hebben gisteravond lekker gezongen voordat we naar bed gingen, na het avondeten natuurlijk. We zijn meestal in staat om iets te maken van onze extra rantsoenen en een paar aardappelen enz. die we onderweg hebben buitgemaakt. Oh trouwens, we hebben de laatste paar dagen op bevel van Churchill Gerry-sigaren gerookt die buitgemaakt zijn, nog niet eens zo slecht ook. Eigenlijk hebben we geleefd van buitgemaakte rantsoenen, maar er was geen brood en geloof me, biscuits zijn niet zo best. Hoe dan ook, we zijn vandaag weer terug bij brood, goddank, anders waren we allemaal beginnen te blaffen. Oh, ik moet je dit vertellen we hebben een week of wat geleden de nacht doorgebracht in het huis van een Nederlands echtpaar, twee in de ene & twee in de andere. Ze waren nog maar een jong stel, hadden één klein jongetje van ongeveer dezelfde leeftijd als David. Ze spraken allebei een beetje Engels en ik liet hun de foto van David & Margaret zien en ook een van jou in Southport. Ze waren er ontzettend enthousiast over en ze merkten zelfs op – “een zeer mooie vrouw hè!” dus zie je wel schatje. Ik heb hun adres en ze vroegen me om jou in vredestijd mee te nemen om ze te bezoeken. Vreselijk aardige mensen inderdaad en uit de buurt van “Queen’s Drive”. Ik laat altijd foto’s van jou & de kinderen zien, het maakt me vreselijk trots. Ik kan me zo voorstellen dat kleine Margaret daar zit te theeleuten met een…
Dit zou blijkt later de laatste brief van Frank zijn.
De slag om Overloon
Op 9 oktober verlieten ze Mook en vertrokken naar Mill om van daaruit de aanval op Overloon te beginnen. Het was bij deze laatste taak dat het 4e bataljon de 3e divisie moest ondersteunen. Het land stond onder water en was dichtbebost, wat verkenning bemoeilijkte. Het regende onophoudelijk en de wegen waren nagenoeg onbegaanbaar. De aanval was oorspronkelijk gepland voor 11 oktober, maar door de zware regenval stond het hele district onder water. Hierdoor werd de operatie uitgesteld tot 12 oktober, in de hoop dat de grond enigszins zou drogen.
De operatie begon op 12 oktober om 12.00 uur met een zwaar artillerievuur, nadat het bataljon een natte nacht had doorgebracht in de bossen twee kilometer ten noorden van Overloon. De Coldstream Guards moesten samen met de 8e brigade Overloon innemen. Het 1e squadron ondersteunde het 1st Suffolks Regiment, terwijl het 3e squadron het East Yorkshire Regiment hielp. Tegelijkertijd moesten de Grenadiers met de 9e brigade doorstoten om Venray, drie kilometer zuidelijker, aan te vallen.
Het bataljon werd ondersteund door A.V.R.E.’s (Armoured Vehicles Royal Engineers): Churchill-tanks die door de genie waren aangepast, onder andere met mijnenvegers. De Royal Engineers hadden hard gewerkt om de tanks een doorgang te verschaffen door de moerassen, dijken en bosjes. De opmars verliep vlot, totdat men op mijnenvelden stuitte. Hier werden twee HQ-tanks van het 4e Coldstream Guards uitgeschakeld, waardoor vitale informatiebronnen binnen enkele minuten verloren gingen. Gedurende ongeveer twee uur was er weinig nieuws uit de eerste hand. Daarna werd bekend dat nog eens twee tanks waren uitgeschakeld door een Duitse Panther-tank; er waren al eerder Panthers gemeld in Overloon. Ondanks de verliezen viel het dorp om 17.00 uur. De vijand hield echter nog stand in een bos aan de rechterflank, waardoor de aanval de volgende dag werd voortgezet. Het bleef voor tanks onmogelijk om het bos te naderen; drie tanks werden tijdens de aanval uitgeschakeld en een vierde explodeerde op een mijnenveld tijdens de terugtocht.
Op 14 oktober rukte het 2e squadron samen met het 1st Norfolks Regiment op naar de Molenbeek. Ze ondervonden geen tegenstand totdat ze uit het bos ten zuiden van Overloon tevoorschijn kwamen. Hier werden ze plotseling aangevallen door een Panther die zich schuilhield in het bos dat ze net hadden verlaten. De Panther miste twee tanks, maar schakelde een derde uit die op een mijn was gereden, voordat hij zich terugtrok.
Terwijl de twee voorste pelotons de infanterie ondersteunden, suisden er opnieuw granaten over hun hoofden. Een tank van het achterste peloton werd uitgeschakeld voordat luitenant Page-Wood deze tweede Panther in het vizier kreeg. Hij vuurde vier schoten met zijn 6-ponder af, maar deze ketsten af op het pantser. De Panther antwoordde met vier schoten die dwars door de voorkant van de tank van sergeant Thompson gingen; de bemanning wist echter op miraculeuze wijze ongedeerd te ontsnappen.
Vervolgens opende een andere Panther het vuur op het peloton van Lance-Sergeant Gough. Hij weigerde zich terug te trekken en zijn infanterie onbeschermd achter te laten. Hij bleef standhouden in het open veld totdat zijn eigen tank en die van zijn korporaal waren uitgeschakeld – een moedige beslissing waarvoor hij de Militaire Medaille ontving. Een luchtafschot doodde vervolgens de commandant van de laatst overgebleven tank van luitenant Page-Wood.
Tijdens deze gevechten op 14 oktober sneuvelde Frank Sheen. Het is niet bekend bij welk specifiek incident hij om het leven kwam. Zes andere mannen van de Coldstream Guards die die dag sneuvelden, liggen eveneens in Overloon begraven (Lance-Sergeant B. Hillman en de Guardsmen G.J. Wright, R.E. Silman, E. Gilbert, J.W. Dalton en A.T. Churchlow). Minstens vijf anderen raakten gewond (Sergeanten L.J. Garner en C.F. Higgins, en de Guardsmen A. Conn, R.B. Hopkinson en E.W. Purdy). De zes gesneuvelden werden aanvankelijk begraven langs de weg van Overloon naar Venray, ten zuiden van het bos en ongeveer een halve kilometer ten noorden van de Molenbeek, vlak bij de plek waar hun tanks waren aangevallen. Op 28 mei 1947 werden zij herbegraven op de CWGC Begraafplaats in Overloon.
Nasleep
Na de oorlog ontving Gladys een condoleancebrief van de hoogste politiefunctionaris in Cheshire, Chief Constable J. Becke.
Geachte mevrouw Sheen,
Met oprecht medeleven schrijf ik u deze brief om u te condoleren met het overlijden van uw echtgenoot. Ik weet maar al te goed hoe pijnlijk dit soort afscheid is en wat een leegte het achterlaat. Tijdens zijn diensttijd bij de Cheshire Constabulary heeft hij een uitstekende reputatie opgebouwd en zoals u zich wel kunt voorstellen, hadden wij veel waardering voor hem. Ik weet dat woorden weinig troost bieden, maar medeleven helpt zeker wel en u kunt rekenen op het oprechte medeleven van alle leden van de Cheshire Constabulary. Ik hoop dat dit u enige troost biedt en ik kan alleen maar bidden dat God u de kracht geeft om dit onherstelbare verlies te dragen.
Met vriendelijke groet, J. Becke Hoofdcommissaris van Cheshire
In 1948 werd het graf van Frank geadopteerd door de familie Swinkels uit Overloon.
Zij schreven op 10 oktober 1948 een brief aan Gladys
Geachte mevrouw Sheen.
Wij hebben uw zo welkome brief in goede gezondheid ontvangen en wij danken u er hartelijk voor, ook voor de foto die was bijgesloten. Wij zijn ook blij dat de begraafplaats er nu goed uitziet. Wij vinden dat het onze plicht is om voor het graf te zorgen, want hij heeft voor onze vrijheid gevochten, dus wij zullen altijd voor het graf van uw echtgenoot zorgen en er bloemen op leggen. Zoals u schreef dat u wat geld voor bloemen zou sturen, dat was inderdaad een heel goed idee van u, maar zoals ik verderop las, was het toegestaan om het te doen. Maar maak u er geen zorgen over. Wij zullen voor de bloemen zorgen.
Hierbij stuur ik u een kaart van de begraafplaats. Ik heb er een klein kruisje op gezet, op de plek waar uw echtgenoot begraven ligt. Over korte tijd hoop ik u een foto van het graf te sturen. Afgelopen zondag hebben we een herdenking voor de soldaten op de begraafplaats gehad. De kinderen legden bloemen, twee koren zongen een lied en het muziekkorps speelde een mars. Er waren verschillende autoriteiten uit Engeland en Nederland aanwezig, van wie sommigen een toespraak hielden. Het was een indrukwekkende ceremonie, waar veel mensen bij aanwezig waren. Misschien vindt u het fijn dat ik iets over ons schrijf. Wij hebben tien kinderen, 7 meisjes en 3 jongens. Vier dochters zijn getrouwd. Een van onze jongens is als militair in Indië. Moeder en ikzelf verkeren in de beste gezondheid. Nu zal ik mijn brief besluiten met de beste wensen voor u en uw familie. Hartelijke groeten van de hele familie en van mijzelf,
Dhr. H. Swinkels. Overloon
Gladys verhuisde begin jaren vijftig van Liverpool naar Ryde, Isle of Wight en overleed in 2005.
Margaret’s dochter Helen en haar man Steve Barnes bezochten Overloon in 2011 en 2014 en legden bloemen bij Franks graf voordat ze het Oorlogsmuseum in Liberty Park bezochten. In 2024 waren zij ook aanwezig bij de 80-jarige herdenking van de bevrijding van Overloon.
In 2026 bezochten zij wederom het graf van Frank en brachten een paar dagen door in de omgeving, o.a. begeleidt door het team van Overloon War Chronicles.
Foto’s en brieven
Bronnen en credits
Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; militaire registers en stambomen.
War diaries 4e bataljon Coldstream Guards
Wikipedia voor achtergrondinformatie Coldstream Guards en Peel Commissie
The Coldstream Guards, 1920-1946 / by Michael Howard and John Sparrow; Howard, Michael, 1922-2019; London; Oxford University Press, 1951.
Leo Janssen voor contact met Helen Barnes
Piet Peters voor achtergrondinformatie Slag om Overloon en Coldstream Guards
Helen Barnes kleindochter van Frank Sheen voor foto’s en brieven.
Research Anny Huberts