Skip to main content

Laggett Ronald Charles

Laggett | Ronald

  • Voornamen

    Ronald Charles

  • Leeftijd

    20

  • Geboortedatum

    03-06-1924

  • Datum overlijden

    27-04-1945

  • Servicenummer

    14388156

  • Rang

    Private 

  • Regiment

    The Queen’s Royal Regiment (West Surrey),1/6th Bn.

  • Grafnummer

    IV. A. 7.

  • Ronald Charles Laggett

    Ronald Charles Laggett

    Ronald Charles Laggett

  • Graf Ronald Charles Laggett

    Graf Ronald Charles Laggett

    Graf Ronald Charles Laggett

Biografie

Ronald Laggett (dienstnummer 14388156) stierf op 27 april 1945 als gevolg van een hartritme stoornis. Hij was 20 jaar oud en was soldaat in het Queen’s Royal Regiment (West Surrey), 1/6e Bataljon. Hij werd aanvankelijk begraven op de begraafplaats van Margraten in Nederland en op 1 mei 1947 herbegraven in graf IV.A.7 op de oorlogsbegraafplaats van Overloon. De inscriptie op zijn graf luidt: “Geef hen eeuwige rust, laat het hemelse licht op hen schijnen”.

Familieachtergrond

Ronald Charles Laggett werd geboren op 3 juni 1924 in Westhampnett, Sussex in Engeland.
Zijn ouders waren Charles Morris Lagget (1879 – 1962) en Edith Warren (1889 – 1975).
Hij had tenminste vier zussen: Nellie Laura (1910-1976), Edith May Laggett (1918-1994), Vera Gertrude Laggett (1921-1999) en Irene Joan Laggett (1926- ).

Ze woonden in Scott Street 4 in Bognor Regis, West Sussex in Zuid Engeland. Charles, zijn vader was tuinman. Ronald was melkboer toen hij in dienst trad.

Bognor Regis

Bognor Regis is een stad en badplaats in West Sussex aan de zuidkust van Engeland. Bognor was vroeger een vissers- (en smokkel)dorp met een haven, totdat het werd omgevormd tot een badplaats. Het was een plaats gelegen in een frontprovincie in oorlog; van een volk dat de gevaren en ontberingen van oorlogstijd doorstond, zich voorbereidde om de indringer het hoofd te bieden, zijn deuren opende voor ontheemden en ondergebrachte militairen, en op tal van manieren zijn steentje bijdroeg aan de bredere oorlogsinspanning.

Op het strand tussen Bognor Regis en Aldwick ligt het wrak van een drijvende ponton die ooit deel uitmaakte van de Mulberry-drijvende havens die door de geallieerden werden gebruikt om op D-Day, 6 juni 1944, de Franse kust binnen te vallen. Het brak los tijdens een storm op 4 juni, de dag voordat het het Engelse Kanaal zou oversteken naar Arromanches, en werd achtergelaten. Kort na D-Day spoelde het aan op het strand.

Ze werden ontworpen in 1942 en vervolgens in minder dan een jaar tijd in het grootste geheim gebouwd. Binnen enkele uren nadat de geallieerden na D-Day bruggenhoofden hadden gecreëerd, werden delen van de twee geprefabriceerde havens vanuit Zuid-Engeland over het Engelse Kanaal gesleept en voor de kust van Omaha Beach (Mulberry “A”) en Gold Beach (Mulberry “B”) geplaatst, samen met oude schepen die als golfbrekers zouden worden gebruikt.

De Mulberry B-haven bij Gold Beach werd na D-Day tien maanden lang gebruikt, terwijl meer dan twee miljoen mannen, vier miljoen ton aan voorraden en een half miljoen voertuigen werden aangevoerd voordat hij volledig buiten gebruik werd gesteld. De gedeeltelijk voltooide Mulberry A-haven bij Omaha Beach werd op 19 juni beschadigd door een hevige storm. Na drie dagen nam de storm eindelijk af en bleek de schade zo ernstig dat de haven werd verlaten en de Amerikanen hun toevlucht namen tot het landen van manschappen en materiaal op de open stranden.

Militaire achtergrond

Ronald Charles Laggett begon zijn militaire loopbaan op 17 december 1942 bij het Queen’s Royal Regiment. Na zijn basisopleiding werd hij op 27 april 1943 overgeplaatst naar het 2e Bataljon van het East Surrey Regiment in Groot-Brittannië.

Terwijl de actieve bataljons van dit regiment in Noord-Africa en Italië vochten, richtte Ronald zich met zijn bataljon op de verdediging van het thuisland en de voorbereiding op de invasie van Europa.

Op 16 april 1944 keerde hij terug naar het 1/6 Bataljon van het Queen’s Royal Regiment. De trainingen in deze periode waren uitgebreid en intens. Terwijl de manschappen de samenwerking met de RAF oefenden, stond de oorlog al voor de deur: tijdens hun oefeningen in Engeland stonden de troepen regelmatig onder vuur van vijandelijke Duitse machinegeweren vanuit de lucht.

Op 28 april werd een Reinforcement Unit opgericht waar Ronald aan toegevoegd werd, onder bevel van kapitein G.A.R.N. Warren, in afwachting van zijn inzet.

In mei 1944 werd het bataljon volledig klaargestoomd voor Normandië. Voertuigen werden waterdicht gemaakt en de manschappen werden voorbereid met tactische trainingen, lezingen en inspecties. Terwijl de voertuigen over de weg naar de kust trokken, reisden de troepen per trein naar de verzamelkampen. De mannen ontvingen hun “mess tin”-rantsoenen en Franse franken om de eerste week in Frankrijk door te komen. Begin juni scheepten zij in bij de Royal Albert Dock en Tilbury Docks, waarna hun konvooi voor anker ging bij Southend, wachtend op het startsein.

De Landing en de Slag om de Bocage

Terwijl op 6 juni de eerste golven militairen de stranden bestormden, werd Ronald in de kampen gebrieft over de voortgang. Tussen 7 en 9 juni voer zijn konvooi door de Straat van Dover onder dekking van een rookgordijn. Op 10 juni 1944 was de aankomst bij Gold Beach voltooid en verzamelde het complete bataljon zich bij Sommervieu, nabij Bayeux. Voor Ronald was de strijd in Frankrijk nu officieel begonnen.

Als onderdeel van de 131st Brigade van de beroemde 7th Armoured Division (de “Desert Rats”), trok Ronald door het verraderlijke Normandische landschap. Het was een uitputtingsslag in de “Bocage”: een gebied vol dichte heggen waar achter elke struik een Duitse hinderlaag kon liggen. De opmars leidde hen langs plaatsen als Briquessard, Grentheville en Fontenay-le-Marmion. 

3 Augustus 1944: De Dag van de Vermissing

Begin augustus bevond het bataljon zich nabij Aunay-sur-Odon / Jurques, net onder Caen, tijdens Operation Bluecoat. De dag van 3 augustus begon hoopvol met een geslaagde hinderlaag op een Duitse colonne, maar in de middag sloeg het noodlot toe.

Om 14:50 uur lanceerde de vijand een massale tegenaanval met infanterie en tanks onder dekking van een rookgordijn. De gevechten waren ongekend fel; hoewel er Duitse tanks werden vernietigd, raakten de Britse antitankkanonnen buiten gevecht en werden de posities overrompeld. Rond 16:00 uur werden D-Compagnie en delen van B-Compagnie volledig onder de voet gelopen door de oprukkende Duitse pantsers.

In de chaos van deze overrompeling werd de balans opgemaakt: het bataljon leed zware verliezen met 161 slachtoffers, waarvan 23 doden, 45 gewonden en 93 vermisten. Dit was de dag dat Ronald Laggett als vermist werd opgegeven. Hij was een van de mannen die in de hevige strijd in vijandelijke handen viel.

Krijgsgevangenschap: Stalag IV-B en IV-D

Na de chaotische gevechten van 3 augustus 1944 bleef het lot van Ronald Laggett enige tijd onduidelijk. Terwijl zijn eenheid probeerde de linies te herstellen, werd hij officieel als vermist geregistreerd. Pas later kwam de bevestiging dat hij krijgsgevangen gemaakt was tijdens de overrompeling van zijn compagnie. Vanaf het slagveld in de Normandische “Bocage” begon voor hem een onzekere reis diep in het Duitse Rijk. Hij werd geregistreerd als krijgsgevangene nummer 71010 en overgebracht naar Stalag IV-B.

Stalag IV-B was een van de grootste en meest multinationale krijgsgevangenenkampen van nazi-Duitsland. Het kamp lag ongeveer 8 kilometer ten noordoosten van de stad Mühlberg, in de huidige deelstaat Brandenburg. Bij zijn aankomst trof Ronald een enorme, omheinde stad van barakken aan, waar tienduizenden mannen uit alle hoeken van de wereld gevangen zaten.

Het kamp was een smeltkroes van nationaliteiten: naast Britse soldaten zoals Ronald, hielden de Duitsers er ook Poolse, Franse, Australische, Sovjet-, Joegoslavische, Zuid-Afrikaanse en Italiaanse krijgsgevangenen vast. Ondanks de barre omstandigheden, de schaarste aan voedsel en de constante dreiging van de bewakers, ontstond er in Stalag IV-B een hechte gemeenschap onder de geallieerde gevangenen.

Voor Ronald betekende dit het einde van zijn actieve deelname aan de strijd, maar het begin van een nieuwe, uitputtende beproeving: overleven achter prikkeldraad, ver weg van het front, in afwachting van de uiteindelijke bevrijding. 

Het leven in het kamp was een dagelijkse strijd tegen de elementen. Stalag IV-B was extreem overbevolkt, zeker in het begin van 1945 toen er maar liefst 30.000 gevangenen – waaronder 7.250 Britten – opeengepakt zaten. De hygiëne was slecht, de voedselrantsoenen waren minimaal en ziektes zoals tuberculose en tyfus eisten de levens van zo’n 3.000 gevangenen.

Vanuit dit hoofdkamp werden veel gevangenen als dwangarbeiders naar diverse Arbeitskommandos in de regio gestuurd. Begin 1945 kwam er plotseling een evacuatieorder. In de chaos van het naderende front werden de krijgsgevangenen halsoverkop op transporttrucks geladen voordat de linies opnieuw zouden verschuiven.

Of Ronald nog in Stalag IV-B was is niet bekend want volgens zijn Service Record is hij op een onbekend moment overgeplaatst naar Stalag IV-D in Torgau, een stad aan de Elbe die later wereldberoemd zou worden als de plek waar de Amerikaanse en Sovjet-legers elkaar voor het eerst ontmoetten. Stalag IV-D was geen traditioneel barakkenkamp, maar bestond uit gevorderde gebouwen in de stad zelf, waaronder een voormalige drukkerij en een onderofficiersschool.

Hoewel Torgau fungeerde als administratief centrum voor tienduizenden dwangarbeiders in de omliggende mijnen en fabrieken, diende het hoofdkamp in de eindfase van de oorlog ook als “Heilag”: een verzamelplaats voor zieke en gewonde gevangenen die in aanmerking kwamen voor repatriëring of uitwisseling. Er werd gehoopt op een terugkeer naar huis, maar deze uitwisselingen vonden uiteindelijk nooit plaats omdat de Britse legerleiding vreesde dat uitgewisselde Duitse gevangenen direct weer aan het front zouden worden ingezet.

Bevrijding en het Tragische Einde

De langverwachte vrijheid kwam eind april 1945. Terwijl het Rode Leger Stalag IV-B op 23 april bevrijdde, bereikten de geallieerde troepen Torgau op 25 april. Ronald werd uiteindelijk bevrijd in Bennewitz, nabij Leipzig.

Na maanden van ondermijning, slechte voeding en de enorme fysieke en mentale druk van het kampleven, was zijn lichaam echter uitgeput. Hij werd overgebracht naar een Amerikaans evacuatiehospitaal in Naumburg voor medische zorg. De hoop op een behouden thuiskomst was nu tastbaar dichtbij, maar het mocht niet zo zijn. Slechts enkele dagen na zijn bevrijding begaf zijn hart het; Ronald Laggett overleed in het ziekenhuis aan de gevolgen van een hartritmestoornis (heart block complete).

Ronald overleefde de hel van de Bocage, de overrompeling van zijn compagnie en de ontberingen van de Duitse kampen, om uiteindelijk in de vroege dagen van de vrede te bezwijken.

Een jaar van hoop en vrees

Terwijl de wereld in mei 1945 de overwinning in Europa vierde, begon voor de ouders van Ronald, de heer en mevrouw Laggett uit Bognor Regis, een slopende periode van onzekerheid. Ze wisten dat hun zoon in augustus 1944 gevangen was genomen in Normandië, maar daarna was het nagenoeg stil gebleven. In de gehele periode dat Ronald van huis was, hadden zij slechts één brief van hem ontvangen.

Maand na maand bleef het bericht over zijn bevrijding of repatriëring uit. Terwijl andere soldaten huiswaarts keerden, bleef de deur aan Scott Street nummer 4 gesloten. 

De schok was dan ook immens toen er op 20 mei 1946 — meer dan een jaar na de feitelijke bevrijding van de kampen — eindelijk een officieel bericht van het War Office op de mat viel. Het was niet de mededeling van zijn terugkeer, maar het bericht van zijn overlijden. Pas op dat moment hoorden zijn ouders dat hun zoon al dertien maanden eerder was gestorven, vlak na zijn bevrijding door de Amerikanen in Bennewitz.

De wrange timing van het nieuws was extra pijnlijk: Ronald zou de maandag daarop zijn 22ste verjaardag hebben gevierd.

Kort na het officiële bericht verscheen er een artikel in de lokale krant van Bognor Regis onder de kop: “Slecht nieuws voor ouders in Bognor: Zoon kort na bevrijding overleden”. De krant beschreef de tragische gang van zaken en sprak namens de gehele gemeenschap van Bognor Regis haar medeleven uit. Het artikel vatte het offer van de jonge soldaat samen: opgeroepen in 1943, gevangengenomen tijdens de Slag om Normandië, en bezweken aan de ontberingen net toen de vrijheid binnen handbereik was.

De brief van het War Office sloot af met woorden van diep medeleven voor de ouders, die na een jaar van onzekerheid hun hoop definitief zagen omslaan in rouw. Ronald Charles Laggett stierf voor de vrijheid, maar de littekens van zijn strijd werden nog lang gedragen door degenen die in Bognor Regis op hem bleven wachten.

Ronald werd aanvankelijk door de Amerikanen in Margraten begraven, maar in 1947 vond hij zijn definitieve rustplaats op de Britse erebegraafplaats Overloon War Cemetery (Graf 4. E. 1.). Hij rust daar als een van de velen die de bevrijding mochten meemaken, maar de vrijheid zelf niet meer mochten beleven.

Ronald had 1 jaar en 175 dagen in het Verenigd Koninkrijk gediend en 322 dagen in Noordwest-Europa. Hij werd onderscheiden met de 1939-45 Star, de France & Germany Star en de War Medal 1939/45.

Hij wordt herdacht op het Oorlogsmonument in Bognor Regis. 

  • Edith Laggett en haar kinderen

    Edith Laggett en haar kinderen

    Edith Laggett en haar kinderen

  • Graf Ronald Laggett eind jaren 40

    Graf Ronald Laggett eind jaren 40

    Graf Ronald Laggett eind jaren 40

  • Stalag-IV-B-camp

    Stalag-IV-B-camp

    Stalag-IV-B-camp

  • Krantenartikel over overlijden Ronald Laggett

    Krantenartikel over overlijden Ronald Laggett

    Krantenartikel over overlijden Ronald Laggett

  • Ronald Charles Laggett

    Ronald Charles Laggett

    Ronald Charles Laggett

  • Bognor Beach WW2 door lokale fotograaf Frank Alouette

    Bognor Beach WW2 door lokale fotograaf Frank Alouette

    Bognor Beach WW2 door lokale fotograaf Frank Alouette

  • War Memorial Bognor Regis

    War Memorial Bognor Regis

    War Memorial Bognor Regis

  • Oorlogsplaquette War Memorial Bognor Regis

    Oorlogsplaquette War Memorial Bognor Regis

    Oorlogsplaquette War Memorial Bognor Regis

Bronnen en credits

Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; militaire registers en stambomen.
Wikipedia Queen’s Royal Regiment (West Surrey)
Wikipedia Stalag IV-B en IV-D
Prisoner of War Museum
The Queens Royal Surrey Regiment website
West Sussex Record Office Blog
War Diaries 1/6 Bn the Royal Queens Regiment 
Service Record WO WO 423/537243 van Ronald Charles Laggett van de National Archives
Elske Dusselaar-van Kammen en Emma Jane Gwen voor de foto en krantenartikel

Research Anny Huberts

Lees verder

Tull Ronald Alfred Edward

Tull | Ronald

  • Voornamen

    Ronald Alfred Edward

  • Leeftijd

    31

  • Geboortedatum

    26-05-1913

  • Datum overlijden

    15-10-1944

  • Servicenummer

    14601169

  • Rang

    Private

  • Regiment

    Royal Norfolk Regiment, 1st Bn.

  • Grafnummer

    III. B. 7.

  • Ronald Tull

    Ronald Tull

    Ronald Tull

  • Graf Ronald Tull

    Graf Ronald Tull

    Graf Ronald Tull

Biografie

Ronald Tull (Servicenummer 14601169) sneuvelde op 15 oktober 1944. Hij was 31 jaar oud en soldaat in het 1ste Bataljon van het Royal Norfolk Regiment. Hij werd aanvankelijk begraven op de begraafplaats aan de Venrayseweg in Overloon en later herbegraven op 17 mei 1947 in graf III. B. 11 op Overloon War Cemetery. Op zijn graf staat: “Always remembered, By his wife & baby Margaret, Mum and dad, Cyril, Glad. and Harold”

Familieachtergrond

Ronald werd op 26 mei 1913 geboren in Alverstone, Hampshire. Zijn ouders waren Albert Edward Tull (1881-1954) en Lillian Mary Day (1882-1960).  

Hij had twee broers Cyril Albert (1908-1984) en Harold en een zus Gladys Lillian M. (1910-1981). In 1911 woonden zij op Lynwood, 22 Mortimer Rd, Brockhurst, Gosport, Hants. 

In 1942 trouwt Ronald met Lena Ruby Henrietta Sawyer in Dorchester, Dorset. In 1944 wordt zijn dochter Margaret geboren, die hij helaas nooit heeft gezien. 

Margaret trouwt met Richard J Lymer in 1966 in Gosport, Hampshire.  Zij kregen 2 kinderen:  Stephen Richard Lymer geboren 1967 in Portsmouth en Kerry Lorraine Lymer geboren in 1970 in Portsmouth.

Militaire carrière

Het is niet bekend wanneer Ronald in dienst trad bij het 1e Bataljon van het Royal Norfolk Regiment, maar dat zal waarschijnlijk in 1941 zijn geweest.

Het bataljon landde op D-Day (6 juni 1944) op Sword Beach in Normandië. Het werd juni, juli en augustus ingezet in operaties in Normandië voordat het vanaf 17 augustus een langere rustperiode kreeg in Tinchebray, waar het ook versterkingen kreeg om de vele gesneuvelden en gewonden te vervangen.

In september trokken ze door Frankrijk en België en bereikten op 25 september Helmond in Nederland. Hier werden ze opgewacht door een uitgelaten menigte, terwijl ze nog steeds in gevecht waren met de vijand. B Company kreeg de taak toegewezen om de oostkant van Helmond te verdedigen, nadat ze van hogerhand te horen hadden gekregen dat de Duitsers die nacht een tegenaanval zouden plaatsen en ze waren erg bezorgd over hun verblijfplaats en gevechtsposities, schootsvelden enz..

Lt. GDH Dicks MC van B Coy vertelde later zijn verhaal. Hij herinnert zich na het controleren van de accommodatie voor het peloton:

”Ik draaide me om, om het huis te verlaten. Ik werd onmiddellijk belaagd door ongeveer 50 verpleegsters die erop stonden dat ik met hen meekwam naar het ziekenhuis aan de overkant om de gevangenen hun eerste blik op de bevrijding te gunnen. Ik had geen keus – ondanks de zorgen in mijn hoofd – ik werd aan elke arm over de weg gesleurd door een paar enthousiaste Nederlandse verpleegsters, gevolgd door minstens acht van de jongens die dezelfde aangename behandeling kregen. Het tafereel in het ziekenhuis van patiënten die met witte, zwakke handen zwaaiden naar een smerige, besmeurde en bewapende Britse onderofficier zou voor elke wetenschapper interessant zijn geweest.
Uiteindelijk ontsnapte ik aan de verpleegsters en toen moest ik de anderen die naar binnen waren gesleept eruit halen. Ik heb sindsdien vaak aan die groep jongens gedacht – hoe gelukkig ze op dat moment waren. Cariello (gedood op 1 maart), Halls (gedood op 14 oktober), Gorbell (gedood op 14 oktober), McMorrine (gewond op 14 oktober), Taylor (gewond op 16 oktober).”

Ze verlieten Helmond op 29 september, staken de Maas over bij Grave, en gingen via Heumen naar het Maldens Vlak op 1 oktober. Hier verbleven ze tot 11 oktober, waarna ze naar Cuijk trokken en vervolgens naar St Anthonis en Oploo op 12 oktober.

De geallieerde opmars was gestopt bij Arnhem, maar in het oosten, in het gebied tot aan de rivier de Maas, bleef een grote weerstand achter en het was de bedoeling om in oktober 1944 naar het zuiden te trekken om het gebied tot aan Venray te ontruimen. Overloon, dat ten noorden van Venray ligt, werd op 13 oktober ingenomen en het 1ste Bataljon van het Norfolk Regiment bracht de nacht van de 13de door in de bossen rond Overloon. Het doel was om op de 14de zuidwaarts naar Venray te trekken, maar daarvoor moest een beek worden overgestoken die de Molenbeek heette. De vijand had echter over een afstand van 1000 meter vrij zicht op de Britse troepen toen ze de beschutting van het bos verlieten.

In mei 1945 schreef Lt. GDH Dicks MC een persoonlijk verslag van zijn ervaringen van die dag terwijl hij herstellende was van verwondingen die hij in maart 1945 opliep.

“De volgende morgen, 14 oktober 1944, ontvingen we onze orders voor de aanval. B Company zou één van de twee voorste compagnieën zijn met de ondankbare taak de vijand eerst te lokaliseren en te bestoken. Friar (Lt. D.B. Balsom) kreeg de taak het leidende peloton te zijn met Company HQ als volgende, dan mijn peloton en dan Ray’s (Lt. R. S. Hilton) peloton. Ray en ik zouden met Company HQ meereizen.

Het was onvermijdelijk dat we al snel onder vuur kwamen te liggen van de Duitse stellingen en het peloton van Friar leed verliezen. Iedereen zocht de diepe greppels aan weerszijden van de weg op en kroop voorzichtig naar voren. Ik heb een uitgesproken hekel aan kruipen, dus al snel begon ik te schuifelen op mijn handen en voeten, met mijn knieën van de grond. Resultaat – een kogel door mijn rugzak. Ik dook even ineen, maar al snel overwon mijn houding mijn voorzichtigheid en richtte ik mijn lichaam weer wat op. Resultaat – nog een kogel door mijn rugzak. Ik riskeerde maar geen derde mogelijkheid. Eric (Major, E.A. Cooper-Key MC, OC B Coy) en zijn strijdmakker stonden snel daarna op en maakten een pittige sprint naar Friar om informatie te krijgen en riepen ons toen op om orders te krijgen voor de aanval.

Het plan was dat Friar zou blijven waar hij was en de Duitsers onder schot zou houden. Ray en ik moesten ons aan weerszijden van de weg opstellen – Ray rechts en ik links.
Ik stelde me op achter een armoedige boerderij en ging toen de open vlakte in aan de linkerkant van de weg met twee secties in lijn volgens de gevechtsoefening met ongeveer 5 meter tussen elke man. Ik voelde me zo naakt als op de dag dat ik geboren werd.
We gingen stapvoets vooruit met de Churchill tank achter ons aan. Een spervuur opende en ik zag de traceerkogels door onze gelederen gaan en een slachtoffer vallen. Het was Halls, Bren schutter van de 8 Sectie – neergeschoten (zoals ik achteraf hoorde) door het hart. Hij was helemaal links van de sectie en het vuur kwam, merkte ik, van een overhangend bosje, links voor ons. De manschappen gingen automatisch naar de grond. Cpl. Smith haalde het Bren geweer van het lichaam van de dode soldaat; en L/Cpl. Grimble, de andere Bren schutter in de voorste gelederen, vuurde nog onophoudelijk verder hoewel ik het gevoel heb dat hij maar een vaag idee had vanuit welke richting het spervuur kwam.”

In plaats van tijd te verspillen met hem de exacte positie te vertellen, dook ik naar Eric en wees hem het gebied aan, informatie die hij onmiddellijk doorgaf aan de tankcommandant die het bos een flink salvo met zijn Besa machinegeweer gaf. Eric beval me ook om mijn peloton te handhaven waar het was terwijl hij Friar beval om door mijn peloton heen te trekken met ondersteunend vuur van onze Brens. Ons eerste doel was een dwarsweg die de codenaam ‘Cartwright’ had. Friar was ongeveer 150 meter voor me in dekking gegaan, dus Eric beval mijn peloton nogmaals naar voren te gaan om Friar te passeren en ‘Cartwright’ te bereiken. Toen ik echter Friar naderde, schreeuwde hij dat hij ‘Cartwright’ had bereikt en ik gaf mijn mannen daarom het bevel om ongeveer 70 meter voor hem in dekking te gaan en bracht verslag uit aan Eric.

Het was nu ongeveer 10.30 uur en we hadden ons doel bereikt. Mijn slachtoffers tot dan toe waren één dode (Halls), één gewonde (Hart – granaatscherf in het voorhoofd) en één “bomb-happy” (een soldaat die, nogal opmerkelijk, geestelijk was ingestort toen we voor het eerst onder vuur lagen).
(bomb happy: (Brits jargon) Een uitdrukking uit de Tweede Wereldoorlog om een staat van bijna-hysterie te beschrijven veroorzaakt door bombardementen, die vaak de vorm aannam van wilde uitzinnigheid. -red.)

Ik werd me er ineens van bewust dat er ongeveer 300 meter verderop een Duitse tank stond bij een brandende boerderij en dat die al verantwoordelijk was geweest voor het uitschakelen van al drie Churchills die lukraak door het landschap verspreid stonden. In dit stadium raakte Sgt. Parker een beetje uitgekeken op greppels en besloot rechtop te gaan zitten om te zien wat er gebeurde. Hij kreeg meteen twee kogels voor zijn zonde, één in de zij en één in de schouder, en de derde ketste net af op de rand van de blikken helm van Harry Blowing. Zelfs dit verstoorde zijn kalmte niet – hij raapte nonchalant zijn rugzak op die hij had afgedaan en liep in het volle zicht van de vijand de weg af op zoek naar het RAP.

Het artillerievuur begon toe te nemen en een vervloekte Nebelwerfer vuurde en schoot telkens granaten in onze nabijheid tussen de felle beschietingen van de Duitse tank door. Onze problemen werden vergroot door onze eigen artillerie die de tank probeerde uit te schakelen. Zoals gewoonlijk vielen sommige van onze granaten te kort of raakten de toppen van bomen vlak voor onze positie, met als onvermijdelijk gevolg dat er slachtoffers vielen onder onze eigen troepen.
Ik begon uit te kijken naar de uren van duisternis, maar de dag leek eindeloos. Rond 17.00 uur besloot Gorbell van sectie 8 zijn loopgraaf te verlaten om te plassen. Toen hij terug kroop, kreeg hij een kogel van een scherpschutter in zijn rug – en stierf binnen een minuut. Zijn laatste woorden waren typerend. ‘De klootzakken hebben me te pakken’ “.

In totaal werden die dag elf mannen van de Royal Norfolk’s gedood. Het bataljon slaagde er op 16 oktober in de Molenbeek over te steken en Venray werd op de 18de ingenomen. Tussen 13 en 18 oktober leed het bataljon 43 dodelijke slachtoffers en bijna 200 gewonden en Overloon en Venray werden zwaar beschadigd.

Op 15 oktober helaas sneuvelde ook Ronald Tull. Hij werd samen met veel van zijn kameraden begraven aan de Venrayseweg in Overloon en later op 14 mei 1947 herbegraven op Overloon War Cemetery in graf III. B. 7.

Brieven van Ronald, Captain Mercer en adoptant van het graf

In augustus 1944 schrijft Ronald een brief aan zijn broer Cyril waarin hij de omstandigheden beschrijft waarin hij de afgelopen maanden gevochten heeft. Op 30 oktober 1944 schrijft zijn Captain J. Mercer een condoleance brief aan Lena, Ronalds vrouw. In februari 1948 ontvangt Lena een brief van Mathy’s Broeren die het graf van Ronald geadopteerd heeft. 

Hieronder staan de brieven te lezen in het Engels.

  • Brief van Ronald aan zijn broer Cyril

    Brief van Ronald aan zijn broer Cyril

    Lees de brief

  • Brief Captain Mercer

    Brief Cpt Mercer aan Lena Tull

    Lees de brief

  • Brief Mathy’s Broeren

    Brief Mathy’s Broeren, adoptant

    Lees de brief

Familiefoto’s

  • Ronald Tull, staand links boven, met kameraden

    Ronald Tull, staand links boven, met kameraden

    Ronald Tull, staand links boven, met kameraden

  • Trouwfoto Ronald Tull en Lena Sawyer 1942

    Trouwfoto Ronald Tull en Lena Sawyer 1942

    Trouwfoto Ronald Tull en Lena Sawyer 1942

  • Lena met dochter Margaret

    Lena met dochter Margaret

    Lena met dochter Margaret

  • Ouders Albert en Lillian Tull bij het graf van Ronald

    Ouders Albert en Lillian Tull bij het graf van Ronald

    Ouders Albert en Lillian Tull bij het graf van Ronald

  • Baby Margaret

    Baby Margaret

    Baby Margaret

  • Graf Ronald Tull in 1947

    Graf Ronald Tull in 1947

    Graf Ronald Tull in 1947

  • Krantenartikel over het overlijden van Ronald

    Krantenartikel over het overlijden van Ronald

    Krantenartikel over het overlijden van Ronald

Bronnen en credits

Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; passagierslijsten, militaire registers en stambomen.
Wikipedia voor informatie over Royal Norfolk Regiment, 1st Bn.
Tracey van Oeffelen voor de contacten met familie van Ronald
Stephen Lymer voor de foto’s en informatie over zijn grootvader Ronald. 

Deze biografie is samengesteld door onze stichting op basis van eigen onderzoek en verhalen van andere militairen die dienden in hetzelfde regiment of deelnamen aan dezelfde strijd op die dag. Hierbij is deels gebruikgemaakt van collectief werk binnen de stichting.

Research Tracey van Oeffelen, Anny Huberts

Lees verder

Vickers George

Vickers | George

  • Voornamen

    George

  • Leeftijd

    23

  • Geboortedatum

    22-08-1920

  • Datum overlijden

    12-10-1944

  • Servicenummer

    4470006

  • Rang

    Private

  • Regiment

    South Lancashire Regiment, 1st Bn.

  • Grafnummer

    IV. B. 4.

  • George Vickers

    George Vickers

    George Vickers

  • Graf George Vickers

    Graf George Vickers

    Graf George Vickers

Biografie

George Vickers (dienstnummer 4470006) sneuvelde op 12 oktober 1944 op 23-jarige leeftijd. Op dat moment was hij soldaat in het 1e Bataljon van het South Lancashire Regiment. Hij werd aanvankelijk begraven op het terrein van weduwe Goemans, ten zuidwesten van Overloon, en vervolgens op 27 mei 1947 herbegraven in graf IV. B. 4 op de Commonwealth War Graves Cemetery in Overloon. Op zijn grafsteen staat: “De tijd kan de herinnering aan deze dag niet veranderen. Moeder, vader en zussen.”

Familieachtergrond

George Vickers was de zoon van Alfred Vickers en Elizabeth Murphy, die in 1913 in South Shields waren getrouwd.

Alfred Vickers werd op 11 januari 1881 geboren in Blaydon, gelegen aan de zuidoever van de rivier de Tyne, ten westen van Gateshead. Hij was de zoon van Thomas Vickers en Mary Ann Hymer, die in 1872 in het district Darlington in het graafschap Durham waren getrouwd. Thomas werd in 1851/3 geboren in Sadberge bij Darlington en Mary Ann in 1853 in Middlesborough. Thomas en Mary Ann kregen tussen 1872 en 1886 acht kinderen. Twee van hun kinderen stierven echter op jonge leeftijd.

In 1881 woonden Thomas en Mary in Railway Side, Wood House, Winlaton, Gateshead. Thomas was spoorwegbegeleider. Bij hen woonden twee van hun kinderen, hoewel hun oudste bij zijn grootvader, Francis Vickers, op Dean Head Farm, Coatham Mundeville, Darlington woonde.

Alfreds moeder stierf in 1889 in Gateshead op slechts 36-jarige leeftijd, waardoor Thomas weduwnaar werd. In 1891 was hij nog steeds spoorwegconducteur en woonde hij in Railway Sidings, Bottle House Yard, Winlaton, Gateshead. Bij hem woonden vier van zijn kinderen, waaronder Alfred. Er was ook een dienstmeisje aanwezig, Sarah Schultz, geboren in Sunderland in 1872. Er waren ook drie bezoekers. Onder hen waren Sarah Schultz’ moeder, Ann, en broer Charles, en ook Richard Stewart, geboren in 1885 in Sunderland. Charles was smid.

In het late voorjaar van 1891 trouwde Thomas Vickers met Sarah Schultz in het district Gateshead. Tussen 1891 en 1903 kregen ze nog acht kinderen. Alle kinderen, behalve de eerste, werden geboren in Gateshead. Helaas stierven er twee op jonge leeftijd.

In 1901 woonden Thomas en Sarah op Davidson Street 29 in Gateshead. Thomas werkte nog steeds als goederenbewaker bij de spoorwegen. Alfred en twee andere kinderen uit het eerste huwelijk van Thomas woonden nog steeds bij hun vader en stiefmoeder, samen met vijf kinderen uit zijn latere huwelijk. Alfred werkte als arbeider bij een steenfabriek.

In 1911 woonden Thomas en zijn vrouw in Bank Street 51 in Gateshead. Thomas was goederenconducteur bij de North Eastern Railway. Alle zes kinderen uit zijn tweede huwelijk waren aanwezig, maar geen van de kinderen uit zijn eerste huwelijk. Twee zonen werkten als ponybestuurders ondergronds in de kolenmijnen.

Thomas stierf in 1916 in Newcastle. In juni 1921 woonde Sarah in Bank Street 53 in Gateshead. Een van haar stiefzonen en drie van haar eigen ongetrouwde kinderen woonden bij haar. Ook woonde er een getrouwde dochter met haar man en kind bij haar. Sarah Vickers stierf in 1926 in Gateshead. Een van haar zonen is mogelijk in hetzelfde jaar overleden.

Alfred Vickers trouwde in 1913 in South Shields, County Durham, met Elizabeth Murphy. Elizabeth werd op 1 februari 1885 in Durham geboren. Over Elizabeth is weinig meer bekend. Ze kregen vijf kinderen in South Shields: Thomas Alfred (1914), Elizabeth (1915), Jenny (24 april 1918), George (22 augustus 1920) en Theresa (7 januari 1923). Elizabeth stierf echter begin 1917 in South Shields.

In juni 1921 woonden Alfred en Elizabeth op Charles Street 42 in Jarrow, County Durham. Alfred was algemeen arbeider bij Palmer’s Shipbuilding Company in Jarrow On Tyne. Bij hen woonden Thomas A. (ook wel Alfred genoemd), Jenny en George.

Een van Alfreds broers werkte in die tijd ook als scheepsbouwarbeider bij Palmer’s. Thomas Alfred stierf op 19 oktober 1928 op 14-jarige leeftijd, waardoor alleen George en zijn twee overlevende zussen overbleven.

In september 1939 woonden Alfred en Elizabeth op Union Street 35 in Jarrow. Alfred werkte als algemeen arbeider. Bij hen woonden Jenny en George. Jenny stond te boek als arbeidsongeschikt.

George werkte als machinist (metaalzaag). George’s zus, Theresa, werkte als huishoudelijke hulp voor Thomas G. en Gladys M. Percival op St Mary’s Avenue 66 in Whitley Bay, Northumberland.

In 1941 werkte George bij de scheepswerf van Palmer. Zijn zus Theresa vertelde haar zoon dat George bij Palmer was ontslagen. Zijn moeder was zo van streek dat ze naar de werf ging om bij de manager te klagen, maar dat mocht niet baten. Door zijn werk op de scheepswerf zou George waarschijnlijk niet zijn opgeroepen voor militaire dienst.

Militaire carrière

George meldde zich op 12 februari 1942 aan als soldaat bij het leger. Hij tekende voor de duur van de oorlog. Hij werd beschreven als 1,65 meter lang, woog 59 kilo en had grijze ogen en blond haar. Hij werd medisch ingedeeld in klasse A1. Hij had gewerkt als arbeider. Hij gaf aan rooms-katholiek te zijn. Hij gaf als adres 14 Berkley Square, Jarrow on Tyne op. Hij was ongehuwd en gaf zijn vader op als nabestaande. Hij woonde op hetzelfde adres, maar werd aangeduid als Frederick Vickers vs Alfred.
George werd aanvankelijk gestationeerd in het 4e Infanterie Trainingscentrum en vervolgens, op 19 juni 1942, bij het 14eBataljon van de Durham Light Infantry. Dit bataljon werd in die tijd ingezet voor binnenlandse defensietaken.

George vertrok op 24 augustus 1942 vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het Midden-Oosten, waar hij pas op 17 oktober 1942 leek aan te komen. Hij werd vervolgens op 4 november 1942 overgeplaatst naar het 9e Bataljon Durham Light Infantry. Dit bataljon bracht de oorlog door bij de 151e Brigade, 50e (Northumbrian) Infanteriedivisie, totdat het in december 1944 elders werd overgeplaatst. Deze divisie was net betrokken geweest bij hevige gevechten in Libië, waarbij de divisie veel slachtoffers had geleden en op 7 november in de buurt van Tobroek in reserve was gegaan. George was ongetwijfeld bedoeld als een van de versterkingen.

Kort na zijn aankomst, op 15 november 1942, liep hij echter een snijwond aan zijn voet op. Op 15 januari 1943 bleek de wond geïnfecteerd te zijn, waardoor hij op de lijst van zieke soldaten werd geplaatst. Op 5 februari 1943 besloot de commandant van het bataljon dat George zelf schuldig was, omdat hij niet in dienst was toen hij de verwonding opliep. Er werd echter geoordeeld dat dit geen invloed zou hebben op zijn toekomstige inzetbaarheid. Het lijkt erop dat hij pas op 15 maart 1943 volledig hersteld was, toen hij op een lijst werd geplaatst van mannen die wachtten op een toewijzing aan een eenheid.

Op 31 maart 1943 werd hij gedwongen overgeplaatst naar het 6e Bataljon van de Green Howards in Tunesië. Zij maakten ook deel uit van de 50e (Northumbrian) Infanteriedivisie. Deze divisie was half maart teruggekeerd naar het front toen het Achtste Leger de Mareth-linie in Tunesië bereikte. Van 20 tot 24 maart waren zij betrokken bij de Slag om de Mareth-linie, die opnieuw veel slachtoffers eiste.

Begin april waren de 6e Green Howards betrokken bij de succesvolle Slag om Wadi Akarit tijdens de opmars langs de oostkust van Tunesië. De aanval van het Achtste Leger in noordelijke richting langs deze kust en de opmars van het Eerste Leger vanuit het westen leidden uiteindelijk tot de overgave van de asmogendheden in Noord-Afrika op 13 mei 1943.

Ondertussen kreeg de 50e Divisie op 24 april het bevel om over de weg terug te keren naar Alexandrië in Egypte, waar ze op 11 mei aankwamen. Vanuit hun basis in de Nijldelta trainden ze op het Grote Bittermeer en in de Golf van Akaba in amfibische landingsmethoden voor de geallieerde invasie van Sicilië.

Uit het Service Record van George Vickers blijkt dat hij op 30 juni 1943 aan boord ging van de H Force. Dit was een marineformatie die een rol speelde bij de verovering van Sicilië in juli 1943, met de codenaam Operatie Husky. De 50ste Northumbrian Division voer vanuit Suez in Egypte. Op 10 juli vond de landing plaats onder moeilijke weersomstandigheden. Op 17 augustus hadden de geallieerden Sicilië veroverd en hadden de asmogendheden het eiland verlaten.

De 50e Divisie vernam dat ze naar Groot-Brittannië zou terugkeren, omdat ze was uitgekozen als een van de divisies die zouden deelnemen aan de campagne in Noordwest-Europa. Ze verlieten Sicilië midden oktober.

Op 29 augustus werd George uit de Middle East Force geschrapt en overgeplaatst naar de British North Africa Force. Hij maakte nog steeds deel uit van de 6e Green Howards. Op 17 oktober 1943 vertrok hij naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij op 8 november 1943 van boord ging.

Zijn zus Theresa vertelde haar zoon dat ze zich kon herinneren dat hij erg bruin van de zon thuis kwam.

Hij werd aanvankelijk gestationeerd bij de No.101 Reinforcement Holding Unit en vervolgens, op 21 maart 1944, bij een infanterietrainingscentrum. Op 30 maart werd hij overgeplaatst naar het 14e Bataljon Durham Light Infantry. Tegen die tijd was de rol van dit bataljon veranderd in een opvangcentrum voor terugkerende krijgsgevangenen en herstellenden. Mogelijk leed hij aan een ziekte, want op 8 april 1944 werd hij opgenomen in het Stannington Military Hospital in Northumberland, waar hij op 18 april werd ontslagen.

Op 10 mei 1944 werd hij voor korte tijd overgeplaatst naar het 11e Bataljon van het West Yorkshire Regiment, vervolgens op 2 juni naar de No 40 Reinforcement Holding Unit en de volgende dag naar de No 39 Reinforcement Holding Unit.

Deze overplaatsingen waren waarschijnlijk ter voorbereiding op zijn inzet als versterking na D-Day. Op 25 juni 1944 werd hij overgeplaatst naar het 1e Bataljon van het South Lancashire Regiment.

Na de evacuatie van Duinkerken in 1940 maakte het 1e Bataljon van het South Lancashire Regiment deel uit van de 8e Infanteriebrigade (waaronder ook het 1e Suffolk Regiment en het 2e East Yorkshire Regiment) die was toegevoegd aan de 3e Infanteriedivisie, bijgenaamd Monty’s Ironsides. Met deze divisie landde het op D-Day op Sword Beach. Ze liepen zware verliezen op tussen 22 en 27 juni tijdens een poging om het Chateau de la Londe in Normandië te veroveren. Op 26 juni kregen ze 22 versterkingen uit West Yorkshires. Het is mogelijk dat George Vickers een van hen was.

Slechts twee dagen nadat hij bij hen was ingedeeld, liep hij echter schotwonden op aan zijn rechterhand en -arm. Hij werd behandeld in een veldhospitaal, maar op 28 juni werd hij aan boord gebracht van de Duke of Rothesay, een koopvaardijschip dat als hospitaalschip werd gebruikt, en teruggebracht naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij opnieuw op de ziekenlijst werd geplaatst. Hij werd naar het No 122 Medical Convalescence Depot gestuurd, dat was gevestigd in Trentham Park in Stoke on Trent.

Op 22 augustus 1944 werd hij weer bij zijn bataljon geplaatst. Het wordt niet vermeld in zijn dienststaat, maar het lijkt erop dat George ergens eind augustus/begin september opnieuw gewond raakte terwijl hij nog in Normandië was.

Het bataljon verliet Normandië op 16 september en trok in drie etappes door België naar Lille St Hubert, net ten zuiden van de Nederlandse grens, ten zuiden van Eindhoven. Hier moesten ze het East Yorkshire en Suffolk Regiment helpen om een bruggenhoofd te vormen over het Scheldekanaal, dat ze op 20 september overstaken om Hamont te bereiken, net ten westen van de Nederlandse grens, en vervolgens op 22 september Weert in Nederland, ondanks de moeilijkheden die de geallieerde troepen ondervonden door de vernietigde bruggen.

Ze bleven in deze omgeving tot 25 september, toen C Company naar het oosten trok in de richting van Schoor als onderdeel van een plan om de westelijke oever van een verder naar het oosten gelegen kanaal te zuiveren. Het hele bataljon zou de volgende dag aan deze operatie deelnemen, maar er was besloten dat ze die dag naar Maarheeze zouden trekken, dus alleen C Company nam hieraan deel. Ze vorderden langzaam, dus kregen ze het bevel zich terug te trekken en de rest van het bataljon naar Maarheeze te volgen. Op 27 september trokken ze verder naar Bakel, net ten noordoosten van Eindhoven. De volgende dag trokken ze iets verder naar het noorden, naar Mortel, om de Amerikaanse 7e Pantserdivisie in staat te stellen het gebied bij Bakel te bezetten. De Amerikanen trokken door naar St. Anthonis. Het bataljon bleef in Mortel tot 1 oktober, toen ze verder naar het noorden trokken, naar Heumen, net ten zuiden van Nijmegen en ten noorden van Cuijk, en vervolgens op 3 oktober naar het nabijgelegen Mook.

Tegen die tijd was Operatie Market Garden verder naar het noorden mislukt om de brug bij Arnhem in te nemen. Hierdoor kwamen de geallieerden in een smalle corridor door Nederland terecht. Op 30 september deed de Amerikaanse 7e Pantserdivisie een poging om deze corridor naar het oosten uit te breiden tot aan de Maas door Overloon aan te vallen vanuit hun positie in St. Anthonis, maar deze aanval mislukte.

Het 1e Bataljon van het South Lancashire Regiment bleef in Mook tot 8 oktober, toen het naar het zuiden trok, naar Wanroij. Er was besloten dat de Amerikanen zich zouden terugtrekken en het verbreden van de corridor via Overloon, Venray en Venlo aan de Britten zouden overlaten. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de aanval op Overloon op 11 oktober zou beginnen. Deze werd echter uitgesteld tot 12 oktober vanwege het zeer natte weer en de slechte bodemgesteldheid.

Op 12 oktober begon de aanval om 12.00 uur met een zeer zwaar artillerievuur dat aanzienlijke schade aanrichtte aan het reeds geëvacueerde dorp Overloon. Het 2 East Yorks leidde de aanval op wat werd omschreven als Dog Wood ten westen van Overloon, terwijl het 1 Suffolks zich richtte op Overloon zelf. Beide bereikten hun doelstellingen om 15.00 uur, maar er moest nog wat opruimwerk worden verricht.

Het 1 South Lancs. werd aanvankelijk in reserve gehouden, maar om 17.00 uur kregen de A- en D-compagnies het bevel om op te rukken om een resterend gebied te zuiveren, waarbij elke voorste compagnie werd ondersteund door een troep van de 3 Grenadier Guards. Ze stuitten op zeer weinig tegenstand en tegen de avond hadden ze hun positie ingenomen aan de voorste rand van een open plek ten westen van Overloon. Dit was echter de dag waarop George Vickers sneuvelde.

Hij had in totaal 2 jaar en 243 dagen gediend, waarvan 1 jaar en 73 dagen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en 52 dagen in Noordwest-Europa.

George werd onderscheiden met de 1939/45 War Medal, de Africa Star met 8th Army Clasp, de 1939/45 Star, de France and Germany Star en de Defence Medal.

Zijn dood werd als volgt gemeld in twee lokale kranten:
Shields Daily Gazette, 1 november 1944: “Soldaat George Vickers, zoon van de heer en mevrouw A. Vickers uit Berkely Street 14 in Jarrow, is officieel gesneuveld in Noordwest-Europa. Hij was 23 jaar oud en werkte bij Palmer’s Hebburn toen hij in 1941 werd opgeroepen voor militaire dienst.”

Newcastle Evening Chronicle, 6 november 1944: “Soldaat George Vickers (23) S.L.R., zoon van de heer en mevrouw A. Vickers uit Berkley Street 14, Jarrow.”

Op 6 december had het leger een ander adres voor zijn vader, namelijk 47 Naworth Terrace, Primrose, Jarrow on Tyne.

Het is mogelijk dat zijn moeder, Elizabeth, in 1962 in South Shields District is overleden en zijn vader, Alfred, in 1965 in Durham North East District, maar dit is niet zeker.

Bronnen en credits

Van de website FindMyPast: Burgerlijke en parochiale geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten; Engelse volkstellingen en registers uit 1939; kiesregisters; militaire dossiers
Service Record van George Vickers Nationaal Archief Ref WO 423/827120
Oorlogsdagboeken van het 1 South Lancashire Regiment van Normandy War Guide en Traces of War Websites
Wikipedia voor informatie over Durham Light Infantry Battalions, 50th (Northumbrian) Infantry Division, het 1st South Lancashire Regiment
National Army Museum voor informatie over het 1 South Lancashire Regiment
WW2 Talk – hulp bij afkortingen uit de Tweede Wereldoorlog
Commando Veterans Website – hulp bij X-lijsten
Foto’s en informatie uit Shields Daily Gazette 1 november 1944, Newcastle Evening Chronicle 6 november 1944
Hulp van George’s neef, Alfred Thorp

Research Elaine Gathercole

  

Lees verder

Gray | John Henry

Gray | John Henry

  • Voornamen

    John Henry

  • Leeftijd

    42

  • Geboortedatum

    29-01-1903

  • Datum overlijden

    11-05-1945

  • Servicenummer

    883381

  • Rang

    Bombardier

  • Regiment

    Royal Artillery

  • Grafnummer

    IV. A. 1.

  • John Henry Gray

    John Henry Gray

    John Henry Gray

  • Graf John Henry Gray

    Graf John Henry Gray

    Graf John Henry Gray

Biografie

John Henry Gray sneuvelde op 11 mei 1945 aan zijn verwondingen tijdens een verkeersongeluk. Hij was toen 42 jaar oud en was Bombardier (service number 883381) bij de Royal Artillery. Hij werd begraven op de Amerikaanse Militaire begraafplaats in Margraten in Nederland en op 1 mei 1947 herbegraven op Overloon War Cemetery in graf IV.A.1.

Familiegeschiedenis

John Henry Gray werd geboren op 29 januari 1903 in Old Kilpatrick, Dunbartonshire in Schotland. Zijn ouders waren John Gray (1863-1927) en Annie McKeever (1878-1956).
Zijn broers en zussen waren: Helen Gray (1898-1898), Margaret Gray (1900-1985), Patrick Gray (1901-), Mary Gray (1904-), Anne Gray (1906-1997), Bella Gray (1907-1992), Sissy Gray (1908-1911), Winnifred Gray (1911-), Thomas Gray (1915-1955) en William Gray (1916-1977).

Hij trouwde op 27 juli 1923 met Agnes Doyle in Paisley en ging daar wonen op 13 Underwood Lane. Later woonden zij op 96 Seedhill Road eveneens in Paisley.

Zij kregen zes kinderen die allemaal in Paisley geboren werden: John 22-10-1924, Margareth Doyle 25-09-1926, William Henry 31-08-1928, Thomas 06-06-1930, Agnes 16-01-1933 en Terence 21-08-1936.

John werkte als vrachtwagenchauffeur.

Zijn familie is onlangs gevonden waardoor wij als stichting hopen een foto te ontvangen van John en wellicht meer achtergrondinformatie over zijn leven en dat van zijn familie. 

Militaire carrière

John schreef zich op 12 mei 1938 in voor het Royal Regiment of Artillery, bij het recruiting bureau van de 156th Infanterie Brigade.

Op 29 september 1939 werd hij gemobiliseerd in het Britse leger, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Zijn mobilisatie vond plaats te Stranraer, Schotland, waarna hij werd ingezet voor dienst binnen het Verenigd Koninkrijk

Zijn eerste plaatsing was bij het 5e bataljon van The King’s Regiment, een infanterie-eenheid van de Territorial Army. In deze beginperiode bestonden hun taken voornamelijk uit thuisverdediging, waaronder het bewaken van vitale infrastructuur, havens en communicatielijnen, evenals militaire opleiding en paraatheidsdiensten. Het bataljon was voornamelijk gestationeerd in Noordwest-Engeland en Zuid-Schotland, gebieden van strategisch belang in de vroege oorlogsjaren.

In 1940, toen de Duitse luchtaanvallen op Groot-Brittannië toenamen, werd hij overgeplaatst van de infanterie naar de Royal Artillery. Na omscholing aan een Basic Artillery Training Centre werd hij geplaatst bij de 225th Heavy Anti-Aircraft Battery.Hiermee werd hij onderdeel van de Britse luchtafweer tijdens de Slag om Engeland en de daaropvolgende Blitz.

Naast zijn taken als artillerist werd hij formeel aangesteld als Vehicle Mechanic (voertuigmonteur) en was hij verplicht een erkende technische vakbekwaamheid te onderhouden. Zijn werkzaamheden omvatten het onderhoud en de reparatie van militaire voertuigen, trekkers voor luchtafweergeschut en bijbehorende apparatuur, die essentieel waren voor de inzetbaarheid van Heavy Anti-Aircraft eenheden. Op 12 januari 1944 werd hij officieel ingedeeld als Vehicle Mechanic, Group A, Class III, waarmee hij werd erkend als een vakbekwame uitvoerende monteur.

In zijn Service Record is te zien dat hij bij diverse onderdelen van de Royal Artillery werkzaam was in de periode 1941-1944. In de beginjaren van de oorlog diende hij bij het 58 Anti Tank Regiment, het 223 Anti Tank Regiment, bij het 3e Reserve Regiment en in juni 1943 sloot hij zich aan bij het 97 Anti Tank Regiment.

Gedurende deze periode maakte hij een gestage rangontwikkeling door. Hij werd bevorderd van Gunner tot Lance Bombardier, vervolgens tot Bombardier, en vervulde daarna functies als Acting Bombardier en War Substantive Bombardier.  Hij bleef gedurende deze jaren in Engeland en zou later meevechten op het Noord-Westelijk front.  

Frankrijk

Op 17 juni 1944 kwam hij aan in Frankrijk, als onderdeel van de 21e Army Group.
De 21e Legergroep stond onder bevel van generaal (later veldmaarschalk) Bernard Montgomery.
Tijdens de gevechten in Normandië was deze Legergroep onder andere betrokken bij de Slag om Caen en gevechten om de Zak van Falaise. Na Operatie Dragoon vormde de 21e Legergroep de linkerflank van de geallieerde opmars in Noordwest-Europa. Het werd verantwoordelijk voor de verovering van de havens en het uitschakelen van de V-1 en V-2–lanceerbases die langs de kusten van Frankrijk en België lagen. Op 4 september 1944 werd de Belgische havenstad Antwerpen veroverd.

België

Op 20 december 1944 wordt John toegevoegd aan de 31 Reinforcement Holding Unit welke onder de 101 Reinforcement Group viel. Deze unit was al een paar maanden in dit gebied en bestond voornamelijk uit Royal Artillery officiers en andere rangen, die uit diverse regimenten aangeleverd werden. Er werd zeer veel getraind, van kaartlezen tot schietoefeningen, geweeroefeningen, wapentraining en voertuigtraining. Maar ook personal training om op kracht te blijven en regelmatig werd er een pot gevoetbald.

De unit was gelegerd in Bourg Leopold, In België wat 70 km ten zuidoosten van Antwerpen ligt.

Leopoldsburg (Bourg-Léopold) was tijdens WOII een belangrijke strategische militaire locatie, met het Kamp van Beverloo. Tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog werd het kamp bezet door Duitse troepen. Een deel van het kamp werd ook door de Duitsers gebruikt als krijgsgevangenenkamp. Na de Slag om Frankrijk, werden 10.000 leden van de Hitlerjugend, die de 12e SS-Panzerdivisie Hitlerjugend vormden, in het kamp getraind. Tijdens de oorlog werd het ook gebruikt als doorgangskamp voor de Holocaust. In mei 1944 werd het kamp gebombardeerd door de geallieerden en werd er hevig gevochten, met vele verliezen tot gevolg. 

De maanden januari en februari 1945 in Bourgh Leopold waren relatief rustig, met af en toe aanvallen door vijandige vliegtuigen maar verliepen met normale ondersteuningsactiviteiten. 

Nederland

In april vertrok de unit in 3 groepen per trein naar Gennep aan de Maas in Noord-Limburg in Nederland.

Na de realisatie van twee cruciale Maasbruggen door de Britse genie, verrees in april 1945 aan de rand van Gennep een indrukwekkend tentenkamp in de Maaskemp. Dit grootschalige transitkamp, dat door zijn omvang en structuur bijna op een echt dorp leek, speelde een sleutelrol in de logistiek van de geallieerde opmars.

Verschillende Britse regimenten maakten gebruik van deze faciliteit om op adem te komen tijdens hun reis van of naar het front in Duitsland, waarbij de aan- en afvoer van de troepen gestroomlijnd verliep via de spoorverbinding van het “Duits lijntje”. Omdat het kamp in de Maaskemp een doorgangskamp was, zag Gennep een constante stroom van wisselende regimenten; dit waren zowel troepen die vers van de boot uit Engeland kwamen als eenheden die na zware gevechten in Frankrijk en Duitsland terugkeerden voor verlof of hergroepering. Daarnaast waren er, zeker tijdens de aanloop naar de bevrijding, grote groepen Britse artilleristen in de directe omgeving aanwezig om de verdere opmars naar het Reichswald te ondersteunen.

De eerste groep van de Unit van John arriveerde op 18 april, de tweede op 19 en de 3e op 20 april. Zij verbleven in tenten of huizen. Sommige huizen waren waterdicht, maar allen verkeerden in “filthy” (smerige) conditie zoals in de War Diary beschreven staat. Hun taken bestonden uit normale ondersteuning en daarnaast kregen ze de opdracht om dagelijks met drie escortes van 3 officiers en 100 andere rangen krijgsgevangenen naar Duitsland te begeleiden.
Van 1 tot 7 mei werden deze transporten met krijgsgevangenen uitgevoerd. De verblijfsaccommodaties in Gennep werden tot het uiterste benut, aangezien elke trein dagelijks tussen de 800 en 1000 militairen aanvoerde. Het was een noodsituatie maar het betekende wel dat de unit elke dag 1250 “reinforcements” kon inzetten daar waar het ’t hardste nodig was. Naarmate de vijandelijkheden afnamen liep dat terug tot 500 tot 600 en werd afgestemd wat de rol van Reinforcement Holding Unit verder zou zijn.

Op 11 mei 1945 kwam John Gray helaas, op tragische wijze om het leven bij een ernstig verkeersongeval. Zijn vrouw Agnes kreeg te horen dat hij Duitse krijgsgevangenen vervoerde en dat een brug waar hij overheen reed was voorzien van mijnen, waardoor deze explodeerde en hij om het leven kwam. Uit zijn Service Record blijkt dat er te weinig bewijs was om een schuldige aan te wijzen. Zijn dood werd gemarkeerd als Killed in Action.

Hij werd begraven op de Amerikaanse militaire begraafplaats in Margraten in Zuid-Limburg in graf CCC-2-33. Op 1 Mei 1947 werd hij herbegraven op Overloon War Cemetery in graf IV.A.1.

John ontving voor zijn militaire acties de volgende medailles:
1939-1945 Star
France & Germany Star
Defence Medal
War Medal 1939-1945

  • Duitse krijgsgevangenen in Gennep met Britse militairen Februari 1945. Source IWM en Stichting Erfgoed Gennep

    Duitse krijgsgevangenen in Gennep met Britse militairen Februari 1945. Source IWM en Stichting Erfgoed Gennep

    Duitse krijgsgevangenen in Gennep met Britse militairen Februari 1945. Source IWM en Stichting Erfgoed Gennep

  • Duitse krijgsgevangenen met Britse militairen in Gennep Februari 1945. Source Stichting Erfgoed Gennep

    Duitse krijgsgevangenen met Britse militairen in Gennep Februari 1945. Source Stichting Erfgoed Gennep

    Duitse krijgsgevangenen met Britse militairen in Gennep Februari 1945. Source Stichting Erfgoed Gennep

  • Straat in Gennep Februari 1945 Source Stichting Erfgoed Gennep

    Straat in Gennep Februari 1945 Source Stichting Erfgoed Gennep

    Straat in Gennep Februari 1945 Source Stichting Erfgoed Gennep

  • Transitcamp in Gennep 1945

    Transitcamp in Gennep 1945

    Transitcamp Maaskemp in Gennep 1945 bovenkant foto

  • Centrum van Gennep 1945

    Centrum van Gennep 1945 vol met Britse militairen

    Centrum van Gennep 1945 vol met Britse militairen

Bronnen en credits

Ancestry Burgerlijke en parochiële geboorte-, huwelijks- en overlijdensregisters; Engelse volkstelling en registers uit 1911, 1921 en 1939; kiezerslijsten; passagierslijsten, militaire registers en stambomen.
Wikipedia
War Diaries 31 Reinforcement Holding unit WO 171-3692 en WO 171-8205 
Robert Clark van researchingww2.co.uk voor bovenvermelde War Diaries
Service Record WO 423/202335 van John Henry Gray van de National Archives 
Stichting Erfgoed Gennep voor de foto’s
Liberationroute

Research Anny Huberts

Lees verder

Golesworthy Charles Edward

Golesworthy | Charles Edward

  • Voornamen

    Charles Edward

  • Leeftijd

    25

  • Geboortedatum

    18-04-1919

  • Datum overlijden

    16-04-1945

  • Servicenummer

    947759

  • Rang

    Gunner

  • Regiment

    Royal Artillery, 64 Medium Regt.

  • Grafnummer

    III. A. 11.

Graf Charles Golesworthy

Graf Charles Golesworthy

Graf Charles Golesworthy

Biografie

Charles Edward Golesworthy (dienstnummer 947759) sneuvelde op 16 april 1945 op 26-jarige leeftijd. Hij was kanonnier bij de Royal Artillery, 64 Medium Regiment. Hij werd aanvankelijk begraven in Margraten en vervolgens op 1 mei 1947 herbegraven in graf III. A. 11 op de Overloon Commonwealth War Graves Cemetery.

Er is nog geen foto van Charles Edward Golesworthy gevonden. Als iemand die dit leest een foto van hem heeft of meer informatie over hem – of als u hierna fouten in zijn biografie ziet, verzoeken wij u vriendelijk contact met ons op te nemen.

Familieachtergrond

Charles was de zoon van Joseph Charles en Mabel Mary Golesworthy uit Battersea, Londen. Mabel’s meisjesnaam was Bundy.

Charles’ vader, Joseph Charles Golesworthy, was de zoon van Caleb Samuel Golesworthy en Mary Ann Arthurs, die in 1865 in het district St James in Westminster waren getrouwd. Caleb en Mary Ann kwamen echter allebei uit Devon. Caleb werd in 1841 geboren in Honiton en Mary Ann in 1842 in de buurt van Tiverton. Tussen 1869 en 1888 kregen ze acht kinderen, waarvan Joseph de zesde was, geboren op 14 november 1881 in Battersea.

Caleb werkte in 1871 als monteur bij een transportbedrijf, daarna van 1881 tot 1911 als afwerker van rijtuigen en koetsen, en later in de spoorwegindustrie. In 1921 werd hij omschreven als meubelmaker.

In 1871 woonden Caleb en Mary met hun eerste kind in New Road, Sussex Street, Battersea, Wandsworth. In 1881 woonden ze met hun eerste vijf kinderen in Crichton Street 19, Clapham, Wandsworth. Ze hadden ook drie kostgangers. In 1891 woonden ze met alle acht kinderen in Gonsalva Road 19, Battersea, Wandsworth. Mary Ann Golesworthy stierf echter in 1896 in het district Wandsworth.

Op dat moment woonde Joseph op 59A Wix’s Lane Battersea in het huishouden van zijn zwager en zus, Frederick G. en Rose J. Martin, en hun twee kinderen. Joseph werkte nu als kernmaker in een messinggieterij.

In juni 1921 woonde Caleb, toen 80 jaar oud, in het Queenswood Boarding House, King’s Avenue, Clapham.

In de Streatham News van 8 mei 1925 werd gemeld dat Caleb S. Golesworthy, 84 jaar oud, een bewoner van de Swaffield Road Institution in Wandsworth, op 13 maart tijdens het sporten in de tuin was gevallen en zijn rechterbeen had gebroken. Hij werd naar het St James’ Hospital gebracht, waar hij op 27 april overleed. De doodsoorzaak was seniele aftakeling, versneld door het ongeval.

Charles’ moeder, Mabel Mary Bundy, was de dochter van Edward Bundy en Eliza Mary Moore, die in 1886 in het Londense district Strand waren getrouwd. Edward werd in 1859/60 geboren in Woolwich, Kent, en Eliza in 1859 in Devizes, Wiltshire. Tussen 1887 en 1890 kregen ze drie kinderen in Battersea, waarvan Mabel, geboren op 9 september 1887, de oudste was. De jongste stierf in het jaar dat ze werd geboren. Edward Bundy was timmerman of meubelmaker.

In 1891 woonden Edward en Eliza met hun twee overlevende kinderen op Lockington Road 14 in Battersea, Wandsworth. Eliza stierf echter in 1894 in Wandsworth op slechts 34-jarige leeftijd. Edward lijkt opnieuw te zijn getrouwd, want in 1901 woonde Edward met zijn vrouw Emma Bundy (geboren in 1859 in Aston Abbots, Buckinghamshire) op St Philip Street 14 in Battersea, samen met Edwards twee kinderen.

Het lijkt erop dat Emma Bundy in 1908 op 49-jarige leeftijd in South Stoneham, Hampshire, is overleden. In 1911 woonde Edward, nu als weduwnaar, op Gonsalva Road 70 in Battersea. Zowel Mabel als haar broer woonden bij hem. Mabel werkte als naaister. Ze woonden in dezelfde straat als waar de Golesworthy’s in 1901 hadden gewoond, dus mogelijk hebben ze elkaar gekend. Edward Bundy stierf in 1914 in Wandsworth op 54-jarige leeftijd.

Joseph C. Golesworthy trouwde in 1917 in Wandsworth met Mabel M. Bundy.

Charles E Golesworthy werd op 18 april 1919 geboren in Battersea, London. Hij was hun enige kind.

In 1921 woonden Joseph en Mabel Golesworthy samen met Charles op Ingelow Road 123 in Battersea. Joseph werkte als arbeider in een messinggieterij (Wray Ltd, Asgrove Road), maar was op dat moment werkloos. In september 1939 woonden ze nog steeds op hetzelfde adres. Joseph was kernmaker in een messinggieterij. Charles werkte als metaalbewerker (frezen, draaien enz.).

Joseph C. Golesworthy stierf in 1954 en Mabel Mary Golesworthy in 1973, beiden in Lambeth.

Militaire carrière

Charles E Golesworthy trad op 18 oktober 1939 toe tot de Royal Artillery, 64 Medium Regiment. Hij gaf als adres op: 123 Ingelow Road, Battersea SW8. Hij gaf zijn vader, Joseph Charles Golesworthy, op als zijn naaste familielid, eveneens woonachtig aan Inglelow Road.

Charles werd beschreven als 1,75 m lang en 63 kg zwaar. Hij had bruine ogen en donkerbruin haar. Zijn medische classificatie was A1. Zijn religie was Church of England. Hij had gewerkt als machinist technicus.
Bij zijn indiensttreding werd Charles als kanonnier ingedeeld bij de 212 Battery van het 64th Medium Regiment van de Royal Artillery. Het 64 (London) Medium Regiment RA (TA) werd in 1939 opgericht als een kopie van het 53 Medium Regiment met twee batterijen.

Charles werd op 14 november 1940 naar het Midden-Oosten gestuurd. Eerder in 1940 had Italië de oorlog verklaard aan Groot-Brittannië en Frankrijk en was het Egypte binnengevallen. Het grote garnizoen van het Gemenebest dat daar gestationeerd was, sloeg hen echter snel terug en drong hen in december 1940 terug naar de Italiaanse kolonie Libië.

In januari 1941 bevond de 212 Battery zich in Mena in Egypte. In februari ging het naar het 68 Medium Regiment om een 6 inch Howitzer Regiment voor Eritrea te vormen. Charles’ dienststaat bevestigt dat hij vanaf 15 februari 1941 in wat het Sudan genoemd wordt was en op 21 februari 1941 bij het 68th Medium Regiment werd ingedeeld.
De batterij bevond zich in maart in Eritrea, in mei in Libië en in juni in Syrië, voordat ze in augustus 1941 in Syrië weer werd herenigd met het 64 Medium Regiment. Op 15 augustus 1941 werd Charles benoemd tot Driver i/c. In oktober 1941 bevond het regiment zich in El Tahag in Egypte.

Ondertussen landde Erwin Rommels Panzerarmee Afrika in februari 1941 in Tripoli, ongeveer tegelijkertijd met het moment waarop Winston Churchill veel van zijn troepen terugtrok om in Griekenland te vechten. Na zijn aankomst in Libië drong Rommel de geallieerden in april 1941 snel terug naar Egypte. Hij omsingelde hen en versloeg hen bij elke gelegenheid. De geallieerden lieten een troepenmacht van voornamelijk Australische soldaten achter in de haven van Tobroek. Deze dappere soldaten weigerden Rommel toegang tot de Middellandse Zee.

Terug in Egypte hergroepeerden de geallieerde troepen zich als het Achtste Leger, waarvan het 64 Medium Regiment nu deel uitmaakte. Deze troepen lanceerden eind 1941 een tegenaanval – bekend als Operatie Crusader – om de belegerde ‘ratten van Tobroek’ te ontzetten, die bijna acht maanden lang stand hadden gehouden tegen de bombardementen van Rommel.

Slechts enkele maanden na Operatie Crusader, na bevoorrading en versterking uit Tripoli te hebben ontvangen, vielen de asmogendheden opnieuw aan, versloegen de geallieerden in de Slag om Gazala in juni en veroverden Tobroek. De asmogendheden dreven het Achtste Leger terug over de Egyptische grens. De 212 Battery werd teruggebracht tot 4 kanonnen en tijdens de terugtrekking gingen nog eens 250 manschappen verloren. Hun opmars werd in juli gestopt op slechts 90 mijl (140 km) van Alexandrië in de Eerste Slag om El Alamein. Deze vond plaats tussen 1 juli en 27 juli 1942. Tijdens deze slag werd Charles gevangengenomen.

Hij werd aanvankelijk vermeld als “vermist, waarschijnlijk gewond” in de Westelijke Woestijn, Egypte, op 6 juli 1942, maar dit werd al snel gewijzigd in gewoon “vermist”. Zijn vader lijkt pas op 7 augustus 1942 te zijn geïnformeerd over het feit dat hij vermist was en op 7 oktober 1942 dat hij niet gewond was.

Op 19 oktober 1942 bleek hij een krijgsgevangene in Italiaanse handen te zijn en op 29 oktober werd zijn vader hiervan op de hoogte gesteld. Zijn moeder ontving het volgende bericht van haar zoon: “Ik ben in orde, maak je geen zorgen, ik schrijf wanneer het kan, liefs.”

Vervolgens werd hij overgebracht naar Stalag IVA in Duitsland met krijgsgevangenenummer 247677. De datum van deze overplaatsing is onbekend, maar hij was daar zeker op 7 februari 1944, toen zijn vader hiervan op de hoogte werd gesteld. Dit kamp bevond zich in Hohenstein in Ostpreußen (krijgsgevangenenummer 247677). Het lag 20 mijl ten noordoosten van Dresden.

Zijn vader ontving een kaartje van hem waarin hij vertelde dat hij op 4 oktober 1944 was overgeplaatst naar Stalag IVF, maar het leger lijkt dit pas op 11 april 1945 te hebben opgemerkt. Stalag IVF lag in Hartmannsdorf, Saksen, ten westen van Dresden. De krijgsgevangenen werden ter plaatse ingedeeld bij verschillende Arbeitskommando’s (“werkdetachementen”). Het kamp werd in april 1945 door Amerikaanse troepen bevrijd.

Charles kwam om het leven door luchtaanvallen na de bevrijding op 16 april 1945. Zijn vader werd hier pas op 1 augustus 1945 van op de hoogte gebracht.

In Overloon ligt Charles naast Robert Stanley Bertram Jones, die op dezelfde manier om het leven kwam, een dag voor Charles, ook na de bevrijding van Hartmannsdorf.

Charles had 5 jaar en 181 dagen in het leger gediend, waarvan 1 jaar en 234 dagen in Noord-Afrika en 2 jaar en 285 dagen als krijgsgevangene.

Hij werd onderscheiden met de 1939-45 Star, Africa Star en 1939/45 War Medal.

Joseph C. Golesworthy stierf in 1954 en Mabel Mary Golesworthy in 1973, beiden in Lambeth.

Bronnen en credits

Van de website FindMyPast: Burgerlijke en parochiale geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten; Engelse volkstellingen en registers uit 1939; militaire dossiers, kiesregisters
Ancestry Militaire dossiers
Service Record van Charles Edward Golesworthy van National Archives reference WO 423/191024
Streatham News 08 mei 1925
Wikipedia Stalag IV-A en Stalag IVF, North African Campaign
https://ra39-45.co.uk/units/medium-regiments/64-london-medium-regiment-rata
https://history.companyofheroes.com/el-alamein/battle-of-el-alamein-ww2/

Research Sue Reynolds, Elaine Gathercole

Lees verder

Gilmour Hugh

Gilmour | Hugh

  • Voornamen

    Hugh

  • Leeftijd

    27

  • Geboortedatum

    16-03-1917

  • Datum overlijden

    14-10-1944

  • Servicenummer

    4202384

  • Rang

    Private

  • Regiment

    Lincolnshire Regiment, 2nd Bn.

  • Grafnummer

    I. C. 1.

  • Hugh Gilmour

    Hugh Gilmour

    Hugh Gilmour

  • Graf Hugh Gilmour

    Graf Hugh Gilmour

    Graf Hugh Gilmour

Biografie

Hugh Gilmour (dienstnummer 4202384) sneuvelde op 14 oktober 1944. Hij was soldaat in het 2e Bataljon van het Lincolnshire Regiment en was 27 jaar oud. Hij werd aanvankelijk begraven op de boerderij van de familie Vogelsangs in Overloon en vervolgens op 15 juli 1946 herbegraven in graf I. C. 1 op de Overloon Commonwealth War Graves Cemetery. Op zijn grafsteen staat alleen ‘R.I.P.’ geschreven.

Militaire carrière

Het is niet bekend wanneer Hugh zich bij het 2e Bataljon van het Lincolnshire Regiment heeft aangemeld, maar gezien zijn leeftijd was dat waarschijnlijk aan het begin van de oorlog.
 
Dit bataljon nam deel aan de landingen op D-Day in juni 1944 en was vervolgens betrokken bij de hele campagne in Normandië, waarbij het deelnam aan Operatie Charnwood en Operatie Goodwood.
 
Ze bleven tot 15 september in Normandië. Daarna namen ze deel aan de opmars door België en Nederland met als doel de luchtlandingstroepen te ondersteunen die betrokken waren bij Operatie Market Garden. Nadat eind september de brug bij Arnhem niet kon worden ingenomen, kwamen de geallieerde troepen in een zeer precaire, smalle uitsteeksel in Nederland terecht. Het doel van Operatie Aintree was om dit uitsteeksel te verbreden door vanuit Nijmegen naar het zuiden op te rukken om Overloon en vervolgens Venray in te nemen, om uiteindelijk een Duits bruggenhoofd op de Maas bij Venlo uit te schakelen.
 
Op 9 oktober 1944 bevond het bataljon zich in Haps, net ten zuiden van Nijmegen en ten noorden van Overloon. Ze kregen het bevel om op 11 oktober naar St. Anthonis te trekken, maar dit werd vanwege slecht weer uitgesteld tot de volgende dag. De verplaatsing werd op 12 oktober voltooid en de volgende dag trokken ze iets verder naar het westen, waarbij echter één man omkwam en drie gewond raakten.
 
Op 14 oktober, de dag waarop Hugh omkwam, was het plan dat B Company door een bos dat in handen was van de Royal Ulster Rifles naar de voorste rand ervan zou worden geleid, vanwaar ze een verkenningstocht zouden uitvoeren om te controleren of een beek begaanbaar was en of de noordoostelijke hoek van een bos in het zuiden in handen was van de vijand. De gidsen waren echter te laat en de verplaatsing door het bos verliep trager dan verwacht, zodat de verkenningstocht niet plaatsvond. Om 7.30 uur begon de compagnie vanuit het bos naar het zuiden op te rukken. Nog voordat de compagnie echter 100 meter was opgerukt, opende de vijand het vuur vanaf een pad ongeveer 100 meter verderop. De opmars werd voortgezet, maar kwam onder zo zwaar vuur te liggen en er vielen zoveel slachtoffers dat de compagniecommandant het bevel gaf om zich terug te trekken naar de positie van de Royal Ulster Rifles. Op dat moment waren één luitenant en 34 andere militairen gedood of gewond geraakt. Na een verkenning door de compagniecommandanten werd besloten om om 15.30 uur een aanval uit te voeren met de D- en A-compagnies voorop. De vijand was gezien in het gebied van de beek voor het bos. Men dacht dat de vijand die het doel van het bataljon bezette waarschijnlijk een compagnie sterk was. Zodra de aanvallende troepen in het open veld kwamen, werden ze blootgesteld aan intens artillerie- en mortiervuur, maar ze zetten gestaag door om hun doel te bereiken. Tijdens deze actie leed het bataljon zeer zware verliezen, waaronder vier gesneuvelde officieren en nog eens vier gewonden.

In totaal 27 mannen van het 2e Bataljon van het Lincolnshire Regiment die die dag omkwamen, liggen naast elkaar begraven in Overloon, waaronder Hugh Gilmour. 

Familieachtergrond

Hugh McNeil Gilmour was de zoon van William Gilmour en Catherine Maxwell, die op 30 december 1895 in Hamilton, nabij Glasgow in Schotland, waren getrouwd. William werd op 24 september 1875 in Hamilton geboren en Catherine op 22 november 1875 (of mogelijk 1876) in Kilwinning, Ayr.

Ze kregen de volgende kinderen: Harry (1898), Jane McGarry of Garry (4 december 1900), William (1902), Helen Tierney (9 november 1905), Catherine Maxwell (20 januari 1908), George (1 mei 1911), John (1914) en Hugh McNeil (16 maart 1917). De eerste vier werden geboren in Hamilton, Catherine in Larkhall, de volgende twee in Kirkintilloch en Hugh in Glasgow.

In 1901 woonden William en Catherine in Brown Street 6 in Hamilton. Bij hen woonden hun eerste twee kinderen. William werkte als mijnwerker.

In 1917 stond William geregistreerd als verzekeringsagent ten tijde van de geboorte van Hugh, die plaatsvond in Edward Street 3 in de wijk Anderston in Glasgow.

In juni 1921 woonden William en Catherine op hetzelfde adres, een adres waar waarschijnlijk meerdere gezinnen woonden, dus waarschijnlijk een huurkazerne in Glasgow. Ze hadden alle acht kinderen. Het gezin van tien personen woonde in slechts twee kamers. William werkte nog steeds als verzekeringsagent voor de Liverpool Victoria Friendly Society. Harry werkte als arbeider voor Inglis & Co Boilermakers, Jeanie als winkelbediende (algemene producten), William als elektricien voor M. Austin en Helen als koerierster voor de St. George Co-op Society. Hugh werd hier Hugo genoemd.

In 1931 lijken William en Catherine te zijn verhuisd naar Thornleigh, Stockport Road, Bredbury Cheshire. Bij hen waren hun dochters Helen Tierney Gilmour en Catherine Maxwell Gilmour. Jongere kinderen waren mogelijk ook aanwezig, maar komen niet voor in deze bron.

Hun zoon, John Gilmour, stierf eind 1931 in het district Stockport op slechts 17-jarige leeftijd.

Drie van de kinderen van William en Catherine trouwden in de daaropvolgende jaren: George met Ann C. Davey in 1933 in Manchester South, Helen met Thomas Nolan in 1934 in Stockport en Catherine met Ross Hogg in 1936 in Stockport.

In september 1939 woonden William en Catherine op Broadway 54 in Bredbury, Cheshire. Bij hen woonden Hugh en hun getrouwde dochter Catherine Hogg en haar man Ross. Ook aanwezig was een kind genaamd John Gilmour, geboren op 12 december 1928. Het is niet zeker wie dit was. William werkte nu als sloopondernemer en Hugh was chauffeur bij een sloopbedrijf. Ross Hogg was arbeider bij Openbare Werken.

Hughs broer, George Gilmour, woonde met zijn vrouw en eerste kind op 85 Councillor Lane, Cheadle, Cheshire. George werkte ook als sloopondernemer en zijn vrouw werkte als verpleegster.

Hughs zus, Helen Nolan, woonde met haar man en eerste kind op 231 Gorton Road, Stockport. Thomas werkte als monteur (motortransport).

Helaas sneuvelde Hugh Gilmour op 14/10/1944.

De Manchester Evening News van 4 november 1944 meldde zijn dood in een North West Roll of Honour tussen vele anderen als volgt:
“Soldaat Hugh Gilmour (Lincs. Regt.), 27 jaar, Broadway, Bredbury (gesneuveld).”

Bronnen en credits

Van de website FindMyPast: Burgerlijke en parochiale geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten; Engelse volkstellingen en registers uit 1939; kiesregisters; militaire registers
Oorlogsdagboeken van het Lincolnshire Regiment via de website Traces of War
Wikipedia – informatie over het Lincolnshire Regiment, Operatie Charnwood
Manchester Evening News van 4 november 1944

Research Byran Johncock, Elaine Gathercole

  

Lees verder

volg ons op

e-mail: overloonwarchronicles@gmail.com
correspondentieadres:
Holthesedijk 2 a, 5825JG Overloon

Kvk nummer: 83346422
Banknummer: NL04 RBRB 8835 3869 69
t.n.v. Stichting Overloon War Chronicles
BIC / SWIFT code  RBRBNL21

©2021 Overloon War Chronicles